Waarom arbeid helemaal niet goedkoper hoeft

Foto iStock

Hilariteit onder economen: in het derde seizoen van House of Cards komt hoofdrolspeler Frank Underwood met een grootscheeps plan waarmee hij tien miljoen banen wil scheppen. Doldriest, onwerkbaar en cijfers noch mechaniek kloppen, zo luidde het oordeel van de geschoolde kijkers.

Dat klopt, maar het zal niet het eerste banenplan zijn dat ondanks alle kritiek toch blijft voortleven in de hoofden van de bedenkers. Banen scheppen is nu eenmaal een gedroomde bezigheid in de politiek. Al scheppen politici zelf alleen werkgelegenheid als zij het (semi-) ambtelijke apparaat uitbreiden of opdracht geven voor nieuwe Deltawerken. De rest ligt in handen van de bedrijven.

Economie groeit sneller

Vorige week kreeg het plan voor een Nederlandse belastingherziening een nieuwe impuls door sterk meevallende prognoses van het Centraal Planbureau (CPB). De economie groeit sneller dan gedacht, de begroting gaat er versneld op vooruit. De belastingherziening kost 15 miljard euro en moet 100.000 banen scheppen op een termijn van tien jaar.

Dat komt met name door het verlagen van de lasten op arbeid. Maar helpt dat wel? Het CPB bedierf vorige maand het feest door een verrassende analyse: lagere lasten op arbeid, waardoor de werknemer meer overhoudt, leiden niet per definitie tot een hogere arbeidsparticipatie. Voor sommigen zal er een prikkel zijn om te gaan werken, maar voor anderen juist niet. Denk bij dit laatste aan tweeverdieners waarvan een van de partners gebruik maakt van het hogere nettoloon van de ander om juist minder te gaan werken.

Onze lastendruk is al laag

Daar komt nog iets anders bij: zijn Nederlandse werknemers wel zo duur? En helpt het goedkoper maken van arbeid dus om extra economische activiteit te genereren? Uit cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de club van rijke industrielanden, blijkt dat de belastingdruk op Nederlandse werknemers relatief laag is. De zogenoemde ‘wig’, het verschil tussen wat een werknemer bruto voor zijn of haar werkgever kost en wat hij of zij netto mee naar huis neemt, zit voor Nederland rond het gemiddeld van alle OESO-landen. In de eurozone is de wig zelfs alleen in Ierland kleiner. Opvallend is vooral het werkgeversdeel van de sociale lasten. Dat is een van de laagste in de industriële wereld – zelfs onder dat van de Verenigde Staten.

En we zijn al zeer productief

De Nederlandse werknemer is daarbij zeer productief. Het bruto binnenlands product per gewerkt uur is het op twee na hoogste ter wereld, op dat van de VS en – verrassend – België na.

En dan is er nog de loonkosten per eenheid product. Die zijn binnen de eurozone in Duitsland het minst gestegen sinds de invoering van de euro. Maar meteen daarna komt Nederland. Van concurrentieverlies binnen Europa is dan ook geen sprake, integendeel.

En dus?

Dat leidt tot de vraag of het verlagen van de loonkosten nu wel zo urgent is. Voor het scheppen van werkgelegenheid is er, anders dan het morrelen aan de lasten, een dringender alternatief. Het grote bedrijfsleven zit op een enorm overschot aan kasmiddelen, dat volgens De Nederlandsche Bank geheel verantwoordelijk is voor het forse overschot op de Nederlandse betalingsbalans.

Tegelijk kampt het midden- en kleinbedrijf juist met een tekort aan kapitaal. Nieuwe economische activiteiten met een navenant stijgende werkgelegenheid komen zo te moeilijk op gang. Want de innovaties die nodig zijn om verder omhoog te schuiven in de internationale arbeidsdeling komen door gebrek aan kapitaal niet van de grond, terwijl elders dat kapitaal bij grote ondernemingen niets ligt te doen – of wordt aangewend om eigen aandelen in te kopen: het beruchte ‘anti-ondernemen’. En dat is een bizar plot waar zelfs de auteurs van House of Cards niet opgekomen zouden zijn.