Column

Verrassend levendig

Ontmoedigd zapte ik gisteravond van het voetballen naar de politiek. Bij de wedstrijd Chelsea – Paris Saint-Germain leek de beslissing gevallen. Chelsea had in de verlenging onverdiend de leiding genomen. Het kwaad dreigde weer eens te zegevieren, want Zlatan, de spits van PSG, was al in de eerste helft ten onrechte weggestuurd door de Nederlandse scheidsrechter.

Ik zag het gezicht van de winnende Chelsea-coach, José Mourinho, alweer voor me, de man is met zijn defensieve spelstijl al jaren een ramp voor het voetbal. Dan toch liever de gezichten van de Nederlandse politici bij Pauw, hoe voorspelbaar ook. Maar het moet gezegd: binnen vijf minuten was ik de voetballerij vergeten.

Aan wie het lag? In ieder geval ook aan Jeroen Pauw, die dit lijsttrekkersdebat met een goede mix van speelsheid en ernst leidde. Hij haalde de teugels net niet te strak aan, zodat het levendig kon blijven. Wat er vervolgens aan onvermoede krachten en klachten bovenkwam, loog er niet om.

Dé verrassing was het feit dat premier Rutte en Alexander Pechtold, vaak de gewiekste debaters, het ditmaal het moeilijkst hadden. Zij werden in de hoek gedreven waar de zwaarste klappen vielen. (Aan mijn beeldspraak is te merken dat ik net naar een te smerige voetbalwedstrijd had gekeken.) Rutte kreeg het jongste echec met twee vertrekkende bewindslieden van alle kanten ingepeperd. Hij was er minder goed tegen bestand dan in de Tweede Kamer, vermoedelijk omdat dit tv-debat impulsiever en directer verliep.

Als Rutte zich niet op zijn gemak voelt, zie je zijn gezicht verstrakken – een vrij zeldzame gebeurtenis. De aan nonchalance grenzende monterheid is verdwenen, hij wordt in een rol gedrongen die hem niet helemaal ligt: die van de verbeten debater. Hij vond het zelfs nodig ongevraagd zijn vicepremier, Lodewijk Asscher, te corrigeren: „Ik heb ze niet doodgewenst”, zei hij over de Nederlandse jihadisten in Syrië.

Pechtold kreeg het nóg benauwder toen hij Samsom en Rutte - ze roken bloed - moest uitleggen hoe hij wilde bezuinigen. „Zoveel als mogelijk”, riep hij telkens in arren moede. Daar wisten zijn tegenstanders wel raad mee. Het was mij een raadsel waarom hij zo slecht op deze vraag was voorbereid. Maken gunstige peilingen een politicus gemakzuchtig?

Zodra Wilders aan de beurt is, dreigt zo’n debat in een soort illegaal hondengevecht te ontaarden. Blaffen en bijten. „U bent de boodschapper en importeur van het kwaad”, schold hij tegen Samsom. Die kan terugbijten („U bent een wegloper”) zonder even onbeschoft te worden. Hij bleef ook rustig toen hij het verwijt kreeg dat hij mede verantwoordelijk zou zijn voor een terroristische aanslag in Nederland. Grappig én typerend was Wilders’ terloopse verspreking (dank, Sigmund!) toen hij Rutte ‘Ratte’ noemde.

Rutte en Samsom zullen met plezier hebben geconstateerd dat de oppositie hopeloos verdeeld is. Wilders riep de PVV uit tot enige oppositiepartij, Roemer en Buma hoorden het grommend aan. Roemer was zichtbaar nerveus aan het debat begonnen, maar hij herstelde zich goed, het lijkt alsof hij langzaam maar zeker het verloren zelfvertrouwen herwint.

Toen de heren uitgevochten waren, zapte ik terug naar het voetbal. Ik bleek me van een schitterende ontknoping – Chelsea alsnog uitgeschakeld! – beroofd te hebben, maar toch had ik dit politieke debat niet willen missen.