Symbolisch proces om privacy

Alleen bij zware criminaliteit en mits door een onafhankelijke instantie tevoren goedgekeurd. Alleen dan mag de staat toegang krijgen tot onze internet- en belgegevens. Maar dat de staat toegang moet houden tot de boekhouding van telecombedrijven staat als een paal boven water. De bewaarplicht is „noodzakelijk en effectief”.

Dat is de kern van een belangrijk vonnis van de Haagse rechtbank in een kort geding dat organisaties van advocaten, journalisten en burgerrechtenactivisten tegen de staat aanspanden. De rechter constateerde gisteren dat de Wet bewaarplicht telecomgegevens (WBT) „onmiskenbaar tekortschoot” en dus onverbindend was.

Dat is een belangrijk moment in de strijd om de privacy van de burger. Maar ook niet meer dan een tussenstap. De rechter volgt feitelijk het EU-Hof in Luxemburg dat eerder de Europese dataretentierichtlijn, ingesteld na de terreuraanslagen in Londen en Madrid, onverbindend verklaarde wegens strijd met het EU-Handvest voor de grondrechten. Het Nederlandse kabinet hield echter vol dat de eigen WBT, die de EU-richtlijn uitvoerde, best voldeed en niet aangepast hoefde te worden. En het heeft nu dus het pleit verloren. Althans in eerste aanleg. Intussen ligt er al een nieuw wetsvoorstel dat de privacy van burgers beter beschermt – met kortere bewaartermijnen, scherpere criteria en controle door de rechter-commissaris. Politiek was er al een stap gezet, in de richting van de burger.

Deze uitspraak maakt nu dus acuut een eind aan een praktijk waarvan op termijn het einde al was aangekondigd. Dit heeft dus onmiddellijke consequenties voor de handhaving nu. En dat roept de vraag op waarom de staat het zover heeft laten komen. Waarom is men niet eerder tot het inzicht gekomen dat de WBT zulke gebreken vertoonde dat onmiddellijke aanpassingen nodig waren?

De rechter nam met dit vonnis ook de gelegenheid te demonstreren hoe nuttig toetsing van wetgeving aan een verdrag kan zijn. En hoe terughoudend dat gebeurt. Dankzij het recht op privacy dat in het EU-Handvest is gegarandeerd, kon de WBT nu op inhoud worden gecontroleerd. Dat gebeurt door Nederlandse rechters op kousenvoeten en met enorme omzichtigheid. Beducht als men is voor het verwijt zich in het wetgevingsproces te mengen zonder kiezersmandaat. Bij deze wet viel de rechter echter ostentatief over het voorbeeld van de fietsendiefstal. De WBT blijkt het ook bij lichte criminaliteit mogelijk te maken om een jaar terug te bladeren in internetverkeer. De wet bevatte dus nauwelijks waarborgen voor een proportionele inbreuk, toegespitst op ‘hoogst noodzakelijke’ gevallen. De politiek liet dit passeren en de rechter deed wat nodig is. De rechtsbescherming van de burger wint erbij.