Seks en eten: daar lacht men om

Alle cabaretiers van naam hebben een regisseur, die soms ook wel adviseur of spelcoach heet. Ze denken mee, schrijven mee. Vier vertellen over hun vak. „Ik ben goed in lol maken. Maken moet geen straf zijn.”

Pieter Bouwman, Ruut Weissman, Jessica Borst en Koos Terpstra Foto’s Robin Utrecht

‘Bij Hans Dorrestijn was het simpel”, vertelt cabaretregisseur Pieter Bouwman. „Ik kwam de eerste keer bij hem, hij kwakte een stapel papier met teksten en een rode stift op tafel en zei: ‘Streep maar door wat je niet goed vindt, ik ga vogels kijken.’ Ik was een groot bewonderaar van hem, dus ik zat daar onthand. Maar ik ben dat naar eer en geweten gaan doen. Dat schrappen ging om regels, maar ook om liedjes. Als ik een lied niet goed vond, ging het hele lied weg. Hij had daar vertrouwen in. Maar zijn spel coachen had geen zin. Dorrestijn is wie hij is.”

Nee, zo gaat het regisseren van cabaret niet altijd. Hoe een regie tot stand komt, verschilt van persoon tot persoon. Maar alle cabaretiers van naam hebben een regisseur, die soms ook wel klankbord, adviseur of spelcoach heet. Hoewel ze niet heel zichtbaar zijn voor de buitenwereld, is hun werk van wezenlijke invloed op het niveau van het Nederlands cabaret.

Daar vertellen vier regisseurs over: Jessica Borst (1967), die Brigitte Kaandorp, Sara Kroos, Pieter Derks, Louise Korthals en Dolf Jansen regisseert; Pieter Bouwman (1958), die behalve met Dorrestijn met Hans Teeuwen, Wim Helsen, André Manuel, Jeroen van Merwijk en Micha Wertheim werkte en dit seizoen De Partizanen en Thijs van de Meeberg regisseert; Ruut Weissman (1955), artistiek leider van de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie, die Claudia de Breij en Wende regisseert en werkte met Jan Jaap van der Wal, Paul de Leeuw, Daniel Arends, Acda & De Munnik en De Vliegende Panters; en Koos Terpstra (1955), die Lebbis en Eric van Sauers regisseert en anderen begeleidt.

Wat is het verschil met toneel regisseren?

Ruut Weissman (RW): „Bij toneelregie ga je uit van de tekst van de schrijver. Bij cabaret is de cabaretier je materiaal. Maar je kan de cabaretier niet in een hoek dwingen die niet van hem is. Je moet iemand juist sturen om meer zichzelf te worden.”

Koos Terpstra (KT): „Met een acteur zoek je samen naar de inhoud van een rol. De cabaretier is de rol zelf, tegen hem hoef ik niet te zeggen: ‘Wat voel je nou?’ Een acteur heeft tekst nodig, en een verklaring waarom hij het moet doen.”

Wat doet een cabaretregisseur?

Pieter Bouwman (PB): „Van belang is dat de cabaretier doet wat hij wil doen. Waar ik goed in ben, is iemand verder te laten gaan dan hij dacht te kunnen. Daar geef ik hem het vertrouwen voor. Toen hij begon, vroeg Hans Teeuwen zich af of bepaalde nummers niet te grof waren. Dan zei ik: ‘Dit is wat jij wil, dan moet je dat ook doen’.”

RW: „Het is een totaalpakket. Soms ben ik alleen een klankbord, maar meestal ga ik over dramaturgie, mise-en-scène, dynamiek, ritme, belichting en decor.”

Jessica Borst (JB): „Ik ben analytisch. Dat is mijn grootste kwaliteit. En ik ben goed in lol maken. Veel lol maken. Maken moet geen straf zijn.”

Waar begint het regisseren mee?

JB: „Een nieuwe voorstelling is vaak een reactie op de vorige, op elementen die de maker niet meer wil of juist wel. Ik begin met algemene vragen, zoals: ‘Waar heb je zin in?’ We voeren, zeg maar, socratische gesprekken, die alle kanten opgaan.”

RW: „Het proces begint met een idee en het ontrafelen wat het thema onder het idee is. Dan bedenk je hoe je uit het thema een premisse kunt destilleren. Stel: je hebt de liefde als thema, maar als premisse dat ware liefde niet bestaat. Dan heb je een leidende gedachte waar je steeds bij kan terugkeren. Een premisse helpt om dingen bij elkaar te houden.”

PB: „Ik wil snappen waar de kracht van de cabaretier ligt, waar de blokkades en angsten zitten, waar omheen wordt gedanst. Vervolgens zoek ik een manier om de boel open te breken en in een flow te krijgen.”

KT: „Ik heb het geluk dat ik werk met twee cabaretiers die ook mijn beste vrienden zijn: Hans Sibbel [Lebbis] en Eric van Sauers. We wandelen veel en we eten veel. We voeren een discussie die al twintig jaar loopt en waarin we ons permanent afvragen wat we doen, waarom we dat doen en waarom we een nieuw programma zouden maken. Met die vraag begint het. Ook als ik met anderen werk.”

En dan?

KT: „Over het algemeen zijn de gesprekken vrij teleurstellend. Het begint met een stapel ideeën waarvan je weet: die kan je allemaal wegflikkeren. Creatief zijn is een pijnlijk proces waar weinig lol aan te beleven valt. Omdat het nooit helemaal is wat je wilt. Maar als je doordenkt zit er altijd wel iets in die ideeën wat misschien een beginnetje is van een verhaal. Je zoekt goede verhalen. Deels kan je ze verzinnen, deels heb je ze zelf beleefd.”

RW: „Na de eerste fase gaat de cabaretier schrijven. In die tekst zoeken we naar een structuur, met aandacht voor de dramaturgie. Daarna kan er gespeeld worden en ga je kijken of het verhaal duidelijk is. Of er zaken afleiden van waar het eigenlijk over gaat.”

Hanteer je een concept?

RW: „Ik werk meestal volgens de oude Griekse dramastructuur, met vijf aktes. Zelfs bij een liedjesprogramma doe ik dat: een exposé maken, de ontwikkeling naar een climax, de ommekeer. In mijn voorstellingen zonder pauze zit een stiekeme pauze, na de climax. Een soort nulmoment. Ik heb de Vliegende Panters dan wel eens laten schommelen. Aan het einde moet er een soort catharsis zijn: ontroering, optimisme.”

JB: „Nee, cabaret is een verhalenvertelkunst. Mensen hebben vaak een vast eigen thema. Daar kom je niet vanaf, maar ik vraag wel om een andere invalshoek. Een onderwerp is een doosje dat je continu moet kantelen om te zien welke kant je nog niet hebt behandeld. Daar denk ik over mee. Waar wringt het, waar zit onze blinde vlek, wat is de olifant in de kamer. Dat werkt als Brigitte het heeft over het empy nest, maar ook als Pieter het wil hebben over veiligheid. In wezen doodserieuze onderwerpen, die je licht wilt maken.”

Is er inhoudelijk sprake van samenwerking?

PB: „In het begin deden Hans en ik het bijna samen, als Mannen van de Radio. Hans had een idee en zette dan een stemmetje op. Ik nam dat stemmetje over en dat werd dan een soort dialoog. Die weer werd uitgewerkt tot een monoloog voor Hans.”

JB: „Ik ben niet de maker. Ik ben klankbord en tegenspeler. Niet tegenhouden, maar samen doordraven. Creatief zijn is ja zeggen op ieder idee. Vlammen! Het neuzelen en kritisch zijn komt later wel weer.”

Is het ook jouw tekst?

KT: „Dat gebeurt wel. Zit bij de prijs in.”

PB: „Ja, maar op het podium vergeet een cabaretier dat. Dat moet ook, het moet voelen alsof het van hem is. Ik zeg: ‘Wat er in het repetitieproces uit mijn mond komt en bruikbaar is: neem.’ Soms krijg ik een deel van de auteursrechten.”

Krijgt de cabaretier opdrachten?

RW: „Om Claudia uit haar comfortzone te halen, liet ik haar de grote monoloog uit Hamlet doen: To be or not to be. Die heeft ze trouwens later heel slim en subtiel verwerkt in haar show, Teerling. Eenzelfde soort opdracht gaf ik voor haar zang. Zij zong en componeerde altijd binnen een voor haar bekend patroon. Ik liet haar Streisand zingen en Sondheim, moeilijke vocale muziek, om haar bereik te vergroten en als inspiratie bij het componeren.”

JB: „Aan Pieter vroeg ik: los het vluchtelingenprobleem op. Je kan kritiek leveren op hoe iets door de overheid wordt geregeld, maar als kunstenaar moet je een alternatief bieden. Alleen anderen de schuld geven is saai, lui en ongezellig. Dat heeft een lied en een voorstel in de voorstelling opgeleverd. Wat ik altijd zeg: ga op reis. Kun je alles van een afstand te bekijken, je kaders stretchen.”

Wat is het belangrijkste wat een regisseur inbrengt?

KT: „Structuur. Elk onderdeel op de goede plaats zetten. Ritme is bij cabaret het enige middel dat je hebt. Verhalen kunnen elkaar versterken.”

JB: „Regisseren is structureren: van gedachten, beelden. Regisseurs ordenen de chaos. Mooie dingen worden uit chaos geboren, maar in chaos zit geen verhaal.”

Ben je bezig met de kwaliteit van grappen?

KT: „Geen seksgrappen. En zo min mogelijk met eten. Seks en eten: lachen mensen het hardst om. Maar na afloop nemen ze het je kwalijk. Om over de pers maar te zwijgen.”

JB: „Brigitte wilde een act met scheten. Mocht niet van mij. Behalve als hij heel goed zou worden. Dat werd hij. Een grap is vrijheid. Er is geen onderwerp waar je geen grappen over kan maken.”

Is een regisseur ook psycholoog?

KT: „Dingen gaan fout als je gaat psychologiseren. Als iemand iets niet wil, zal daar wel een reden voor zijn, maar ik ga me er niet in verdiepen. Dat betekent wel dat ik soms mensen ergens doorheen moet duwen.”

JB: „Je inleven is altijd handig. Je moet kunnen begrijpen hoeveel verantwoordelijk iemand draagt en hoeveel druk het oplevert om een voorstelling te maken. Hoe ongelukkig je daarvan kan worden als het niet lukt. Ik breng rust mee. Geef vertrouwen.”

PB: „Bij de eerste show van Micha Wertheim bedacht ik een dr. Phil-achtig dingetje. In iedereen zit een kind van vier, dat niets van de wereld begrijpt. Bij een crisis vallen we daarop terug. Dat kind zat hem dwars. Micha wist meteen een naam voor hem: Edgar. Ik zei: ‘Bedank Edgar, geef hem in iedere voorstelling tien minuten. Dan mag hij loos gaan. En verder moet je tegen hem zeggen: ik kan het nu zelf.’ Dat werkte als een tierelier. Micha kon herkennen of Edgar hem blokkeerde of hem te hulp schoot. Zijn tweede voorstelling begon hij door in zijn onderbroek uit een ijskast te komen. Dat was Edgar.”

Is het ook jouw voorstelling?

RW: „Bij toneel is een voorstelling in eerste instantie een Shakespeare of Tsjechov. Bij cabaret is het Claudia de Breij of Daniel Arends. Maar als regisseur moet je in bescheidenheid kunnen zeggen: het is ook van mij. Anders is het niet leuk om te doen.”

KT: „Ja. Ik vind cabaretvoorstellingen wel mijn voorstelling. Maar het is natuurlijk zijn voorstelling. Er is ook niemand in mij geïnteresseerd. Er komt nooit iemand naar cabaret voor de regisseur.”