‘Rendement is geen doel van de prestatie- afspraken’

Dit zei Jet Bussemaker vorige week in NRC Handelsblad

Foto ANP / Martijn Beekman

De aanleiding

De afgelopen weken protesteerden studenten en docenten tegen het zogeheten ‘rendementsdenken’ aan de universiteit. Als een van de voorbeelden hiervan worden de prestatieafspraken genoemd die universiteiten in 2012 hebben gesloten met het ministerie van onderwijs. Deze houden in dat 7 procent van het universiteitsbudget afhankelijk is van hoe goed de universiteit op verschillende punten presteert. Die punten kunnen variëren: elke universiteit maakt zijn eigen afspraken.

In een interview met NRC Handelsblad bestreed minister Jet Bussemaker vorige week het beeld dat deze afspraken te maken hebben met rendementsdenken: „Het experiment met prestatieafspraken is geen rendementsdenken, maar gaat ook over kwaliteit. Die moet altijd voorop staan. Rendement is geen doel, maar uitkomst van verbetering van de kwaliteit van onderwijs.” Klopt het dat rendement geen doel is in de prestatieafspraken?

En, klopt het?

In het Hoofdlijnenakkoord over de prestatieafspraken, gesloten in december 2011, staat dat de afspraken moeten vallen in drie categorieën: ‘kwaliteit en excellentie’, ‘studiesucces’ en ‘maatregelen’. Onder het eerste verstaat het akkoord een ‘toename van het aantal excellente trajecten en opleidingen en de deelname van studenten aan deze trajecten en opleidingen’.

Het tweede punt gaat over ‘prestaties op het gebied van rendement, studie-switch en uitval’. Dit houdt onder andere in dat universiteiten afspreken met hoeveel procent ze het studierendement verbeteren: het aantal studenten dat na vier jaar zijn bachelor heeft gehaald.

Bij het punt over studiesucces wordt wel vermeld dat verbetering van het rendement niet ten koste mag gaan van de kwaliteit, maar er staat niet bij hoe dat gemeten moet worden.

Als we kijken naar de prestatieafspraken van universiteiten, zien we dat rendementsmaatregelen inderdaad belangrijk zijn. Zo maakten universiteiten afspraken over het percentage afvallers na een jaar en over het studierendement in 2015. Sommige van deze afspraken over het studierendement zijn behoorlijk ambitieus: Groningen wilde van 53 naar 70 procent, de Universiteit van Amsterdam van 55 naar 70 procent, Vrije Universiteit van 63 naar 75 procent en Wageningen van 62 naar 75 procent.

Er zijn inderdaad, zoals Bussemaker aangaf, ook afspraken gemaakt over kwaliteit. Zo moeten alle eerstejaars in 2015 minimaal 12 contacturen per week hebben. Daarnaast hebben alle universiteiten afspraken gemaakt over het aantal docenten dat in 2015 een onderwijskwalificatie heeft. En voor de beste studenten moeten er meer ‘honours tracks’ komen.

Of het onderwijs voor de gemiddelde student inderdaad beter wordt met deze maatregelen is nu nog niet te zeggen, laat staan of deze kwaliteitsverhoging zal leiden tot een hoger rendement. Wel is duidelijk dat deze kwaliteitsafspraken los staan van de rendementsmaatregelen.

Conclusie

Volgens Jet Bussemaker is rendement in de prestatieafspraken geen doel op zich, maar een uitkomst van de verbetering van de kwaliteit van onderwijs. Wie kijkt naar de prestatieafspraken, ziet dat dit niet klopt. Er zijn aparte afspraken over rendement en kwaliteit, waarbij het eerste (verhoging van het rendement) wel degelijk een doel op zich is. Daarnaast is nog niet duidelijk of een eventuele kwaliteitsverhoging zal leiden tot een hoger rendement. We beoordelen de uitspraak dus als onwaar.

Ook een bewering zien langskomen die je gecheckt wilt zien? Mail nextcheckt@nrc.nl of tip via Twitter met de hashtag #nextcheckt