‘Nu weet ik hoe ritmes reizen’

Op zijn nieuwe album ‘Afrodeezia’ volgde de Amerikaanse jazzbassist Marcus Miller het spoor van zijn voorvaderen van Mali via Brazilië en Trinidad naar het zuiden van de VS. „Als gitaristen tegenover elkaar zitten, speel je elkaar na. Niks noten op papier.”

Marcus Miller: „In Marokko vond ik ritmes die opvallend veel overeenkomen met Braziliaanse.” Foto Cathrin Cammett

Marcus Miller heeft haast. Niet dat hij nu meteen weg moet uit de Parijse hotelsuite waar hij sinds enkele dagen de Europese pers te woord staat over zijn nieuwe album, maar snel hoopt hij toch naar New York te vliegen. Hij wil zijn vader het speciaal voor hem gecomponeerde liedje Preacher’s Kid (Song for William H) laten horen. „Hij is nu 89 jaar”, vertelt de Amerikaanse jazzbassist. „Hij leidt aan Alzheimer. Maar hij weet nog wel wie ik ben en ik wil het graag op de koptelefoon laten horen. Het koordeel zal hij mooi vinden. Het jazzdeel minder.”

Millers vader was organist en koordirigent in een kerk in Brooklyn, New York. In Millers vroegste herinnering speelde zijn vader doordeweeks Bach en Beethoven in hun woonkamer, en begeleidde hij de kerkdiensten in het weekend. „Hij vond het mooi mij aan het werk te zien”, zegt Miller. „Ik weet nog dat hij naar een concert van Miles Davis in Montreal kwam. Ik had toen net een plek in Miles’ band. Van verre zag ik mijn vader de zaal inkomen: rechtstreeks uit New York, in zijn beste witte pak, om zijn Marc in actie te zien met Miles.”

De in New York geboren en getogen bassist, saxofonist, basklarinettist, componist en producer is nu 55 jaar. Een onuitwisbare lach. Zijn ‘pork pie hat’, het zwarte jazzhoedje, als altijd op zijn hoofd. Miller verblijft graag in Parijs, heeft een Franse manager en spreekt intussen aardig Frans. Dat is hem goed van pas gekomen in West-Afrika. Want op zijn nieuwe album Afrodeezia heeft hij zijn funky jazzfusion verbreed met allerlei Afrikaanse ritmiek.

Slaveneiland

Een paar jaar geleden bracht hij na een concert in Dakar een bezoek aan het slavernijmuseum op het eiland Gorée voor de kust van Senegal. Geëmotioneerd en onder de indruk schreef Miller de song Gorée, te horen op zijn vorige album Renaissance (2012). „Het was de plek waarvandaan de slaven werden geëxporteerd. Zeer indrukwekkend. Toen ik dat nummer speelde tijdens een concert in Parijs, was de directeur van Unesco aanwezig. Ze vroeg me als woordvoerder van het ‘Slave Route Project’, dat jonge mensen het verhaal over de kracht en de hoop van mensen leert.” Als ‘artist for peace’ verdiepte hij zich nog meer in de geschiedenis van de zwarte muziek; het idee voor zijn album Afrodeezia ontstond. Miller is het spoor van zijn voorvaderen gaan volgen. Het werd een ‘roots-reis’ die via Mali, Brazilië en Trinidad uiteindelijk in het zuiden van Amerika uitkwam. Op Afrodeezia laat Miller zich bijstaan door musici uit Senegal en Marokko. „Ik had verwacht op taalproblemen te stuiten, maar dat bleek juist het makkelijkste deel. Muziek is een taal – dat bleek maar weer. Als gitaristen tegenover elkaar zitten, speel je elkaar na. Niks noten op papier. Zó zet je je handen, je leert meteen.”

De plaat opent met Hylife, de song die naar buiten wordt gebracht als de single. Het is een luchtige en dansbare jam, gebaseerd op de in Nigeria populaire highlife-muziek. Water Dancer draait om Afrikaanse ritmiek – „vloeiend als water”. Miller wilde de ritmes „als voetstappen terugvolgen naar hun oorsprong”. En deed ontdekkingen. „Als kleine jongen leerde ik hoe Afrikaanse stammen hun ritmes aan elkaar over trommelden. Nu weet ik nog meer hoe ritmes reisden. In Marokko vond ik bij Gnawa-musici ritmes die opvallend veel overeenkomsten hadden met Braziliaanse ritmes. Je luistert naar gitaristen in Mali, en naar de bluesjongens in Chicago, en plots hoor je de overeenkomsten. Alles heeft verband met elkaar. Zo ging ik de muziek beter begrijpen.”

Ook persoonlijk heeft Miller wat graafwerk verricht. Met een DNA-test ontdekt hij dat hij Nigeriaans bloed heeft. „Het maakt alles weer een beetje echter, tastbaarder. Je kent je basis, al is het eeuwen geleden.”

Blue Note

Zijn muziek komt uit bij het vermaarde platenlabel Blue Note. Dat beschouwt ook hij, al zo lang in het vak, nog als een mijlpaal. Dat Miller nu zélf de jazzveteraan is van wie de jongeren graag leren, blijft voor de jazzbassist een ongrijpbaar gegeven. „Mijn hoofd kan daar niet bij”, schudt hij zijn hoofd. „Voor mij is het nog niet lang geleden dat ik met Miles speelde. Al zie ik heus hoe de ogen van al die jonkies uitpuilen, en ik me realiseer: wauw, ík ben nu die vent die oude verhalen vertelt.”

En dat doet de musicus nog graag, met een verbazingwekkend groot enthousiasme – alsof je werkelijk de eerste bent die het verhaal hoort. Natuurlijk, knikt hij, want die tijd met Miles Davis was belangrijk en vormend. Als jonge getalenteerde bassist brak hij in 1981 door in diens band. Het is de tijd dat de beroemde jazztrompettist zich steeds meer ging toeleggen op een elektrische, meer popachtige jazzstijl. Miller deed de volledige productie van Davis’ laatste belangwekkende platen, zoals Amandla en het controversiële Tutu, het elektrische jazzalbum dat in 1986 voor verdeelde reacties zorgde. Ook produceerde hij artiesten als David Sanborn, Luther Vandross, Al Jarreau en Chaka Khan.

Vanaf 1993 ging hij als bandleider eigen albums maken. Dat omschrijft hij als „het tweede deel van mijn carrière”. Millers fusion, een wat gelikte mengeling van funk, jazzrock en r&b, wordt soms een beetje voor lief genomen. Zijn vloeiende basspel kan weliswaar luchtig overkomen, maar wanneer hij zijn nadrukkelijke crowdpleasers even laat (er komen altijd popcovers voorbij in concerten en op zijn platen), overtuigt hij met krijgslustig, zweterig en sticky basspel met sterke timing.

„Weet je dat ik nog steeds dingen ontdek en me realiseer: shit, dat zei Miles tóén al. Mooi is dat: het is jaren terug gezaaid en steekt nu nog steeds de kop op.”