Nu geeft hij bijles via Skype

Ali Isiaki is illegaal in Nederland, maar kan niet terug naar Benin, waar hij vandaan komt. Om zich nuttig te maken, geeft hij nu vrijwillig Nederlandse les.

Ali Isiaki (28) heeft nu acht Nederlandse leerlingen onder zijn hoede, die hij lesgeeft via skype. Zelf is hij illegaal. Foto’s Dirk-Jan Visser

Om kwart over zes in de ochtend belt Ali Isiaki (28) met een elfjarige jongen in Vlaardingen. Meestal moet hij een paar keer bellen voordat de telefoon wordt opgenomen. Er klinkt een slaperig „hallo?”.

„Goeiemorgen! Wakker worden!”, roept Ali door de telefoon. „Ga je broertjes wekken!” De broertjes zijn een tweeling van zeven. „Ga jij douchen”, zegt Ali tegen de oudste jongen. „Daarna bidden en even in de koran lezen. Dan pas ga je ontbijten.”

Ali Isiaki is leraar-op-afstand. En in de ochtend ook een beetje opvoeder. Hij heeft niet alleen de drie jongetjes uit Vlaardingen op afstand onder zijn hoede. Hij heeft momenteel acht pupillen.

Het zijn kinderen van ouders die uit West-Afrika komen, zoals hijzelf. De ouders spreken onvoldoende Nederlands om hun kinderen te helpen bij hun huiswerk. Ze hebben weinig opleiding.

Helpen met het ochtendritueel doet hij alleen met de kinderen in Vlaardingen. De moeder komt uit Guinee. Ze voedt haar kinderen alleen op en kan wat hulp goed gebruiken. Af en toe, als ze slechte cijfers hebben of brutaal zijn, spreekt Ali Isiaki de kinderen streng toe via skype. Maar niet té streng. Als ze gaan huilen, is het moeilijk om ze tot bedaren te brengen via het computerscherm.

Net na het avondeten is het spitsuur voor de skypeleraar. Eerst belt hij via de computer met Iljas (groep 7) en Amida (groep 5) in Boxtel. Hij kan de kinderen niet alleen horen, maar ook op de computer zien. Hij geeft Iljas de opdracht naar het jeugdjournaal te kijken en daarvan een verslag te schrijven. Morgen zullen ze dat bespreken. „Ik wil niet alleen lezen wát er is gebeurd”, zegt hij. „Maar ook waaróm! Dus niet: Kinderen in Nederland worden steeds dikker. Maar ook waarom dat zo is.”

Dan zoekt hij contact via skype met Ismaël (acht jaar) in Amsterdam.

„Hallo Tonton”, klinkt de heldere stem van Ismaël uit de computer. (Tonton, vertelt Ali Isiaki later, is de aanspreekvorm voor leraar. Afrikaanse kinderen noemen een leraar niet bij de voornaam.)

„Hoe was het op school”, vraag Ali.

„Wel goed.”

„Wel goed?”

„Nou in de pauze was er een sterke jongen en die ging me slaan.”

Ali: „Oei.”

Ismaël: „We gingen een beetje stoeien maar hij zit op boksen.”

Ali: „Oh mijn God.”

En dan: „We gaan een dictee maken. Pak je je dicteeschrift?”

Ali Isiaki is illegaal in Nederland. Hij kwam op zijn vijftiende uit Benin en mocht tot zijn achttiende naar school. Daarna moest hij terug naar Benin. Dat lukte niet – Benin werkt niet mee aan zijn terugkeer. Als illegaal mag hij niet studeren. Hij kan niet legaal werken.

„Maar dit kan ik wel”, zegt Ali. „Een goede opleiding is zo belangrijk. En daarvoor hebben ze goede cijfers nodig. Als ik ze daarbij kan helpen, heb ik het gevoel dat ik iets nuttigs doe.” En hij vindt lesgeven leuk, heeft hij ontdekt. En het gaat hem goed af. De cijfers van zijn leerlingen worden steeds beter. Als hij nu zelf een opleiding zou mogen kiezen, zou het de pabo worden.

Op het computerscherm achter Ismaël verschijnt de gestalte van een man. Zijn vader. De moeder zorgde niet goed voor het kind. De vader kreeg het gezag na tussenkomst van Jeugdzorg. De vader komt uit Benin, net als Ali. Ali vroeg hem mee te doen aan het dictee om zijn Nederlands te verbeteren.

Ali: „Zitten jullie klaar?”

„Ja Tonton”, klinkt een hoge stem.

„Ja Tonton”, klinkt een lage stem.

Ali spreekt langzaam en duidelijk: „In. De. Tuin. Staan. Geen. Bloemen. Meer. In. Bloei. Punt.”

Doodse stilte aan de andere kant.

Ali: „Papa, wat is het werkwoord in deze zin?”

De vader aarzelt: „...geen?”

Ali: „Wat denk jij Ismaël?”

Ismaël: „Staan, Tonton.”

„Goed zo, Ismaël.” Ismaël, zal Ali Isiaki later vertellen, pikt de stof snel op. Hij is een goede leerling.

Ali schrijft de zin op een klein whiteboard dat te zien is voor zijn leerlingen. „Let op, Papa. Wat gebeurt er in deze zin?”, zegt hij tegen het scherm.

„Staan!”

Als de zin is ontleed, komt de volgende: Esma. Pakt. Een. Fles. Melk. Uit. De. Koelkast. Punt.

De telefoon gaat. Het is Iljas uit Boxtel. Het jeugdjournaal is afgelopen en het verslag geschreven. Ali geeft een rijtje sommen op. „Ga die maar maken, ik bel zo terug.”

Hij kijkt weer naar de computer. Vader en zoon zitten nog op de bank, schrift op de knieën.

Ali: „Mijn. Tante. Komt. Staks. Op. Bezoek. Punt.”