Nederlanders sterven eerder door stikstof

Voor het eerst is aan de hand van grootschalig onderzoek (7 miljoen Nederlanders) sterfte door NO2 vastgesteld.

Mensen in Nederland leven gemiddeld vier maanden korter door luchtverontreiniging met stikstofdioxide. Dat is voor het eerst onomstotelijk vastgesteld in een vandaag verschenen publicatie van het RIVM in Bilthoven. Lange blootstelling beneden de Europese norm is al schadelijk. De verloren levensmaanden komen bovenop de al bekende levensbekorting met ongeveer 9 maanden door blootstelling aan fijnstof.

Het RIVM berekent in zijn publicatie niet direct de verloren levensmaanden, maar milieuorganisatie Milieudefensie reageerde direct met een eigen berekening. „En op sterk vervuilde plekken kan het verlies aan levensverwachting oplopen tot meerdere jaren”, zegt Milieudefensie-onderzoeker Anne Knol.

„Die 4 en 9 maanden levensverlies door stikstofoxide en fijnstof kloppen wel”, zegt RIVM-onderzoeker Paul Fischer die eerste auteur is van de vanmorgen verschenen wetenschappelijke publicatie in het tijdschrift Environmental Health Perspectives.

De RIVM-onderzoekers schrijven het op een andere manier op. Voor iedere stijging met 10 microgram per kubieke meter fijnstof stijgt de sterftekans met 8 procent. Voor stikstofdioxide (NO2) is de stijging met dezelfde concentratie 3 procent. Die toename begint al beneden de Europese norm die toevalligerwijs voor beide vormen van luchtverontreiniging op 40 microgram per kubieke meter ligt.

In de RIVM-publicatie is te zien dat de kans om eerder te sterven door NO2-verontreiniging net onder de normconcentratie begint. Voor fijnstof begint de sterfte al veel eerder op te lopen. Op de Europese norm voor fijnstof van 40 microgram per kubieke meter is veel kritiek. De Wereldgezondheidsorganisatie hanteert een norm van 20.

De sterfte door stikstofdioxide (NO2) is voor het eerst duidelijk vastgesteld door gebruik van een ongekend groot gegevensbestand van alle ruim 7 miljoen mensen die van 1999 tot 2004 in Nederland op hetzelfde adres bleven wonen. En dus langdurig aan lokale luchtverontreiniging werden blootgesteld. Daarna is tot 2011 gekeken of die mensen overleden, en waaraan. Voor het eerst zijn voor dit soort onderzoek geanonimiseerde gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie gebruikt. Fischer: „Dit onderzoek is omgeven door strenge privacyrichtlijnen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek controleert steeds of gegevens tot personen herleidbaar zijn. We willen deze nieuwe methode in de toekomst ook gebruiken voor onderzoek naar hart- en vaatziekten door geluidsbelasting. En voor onderzoek naar medicijngebruik, geboorte-afwijkingen en naar de invloed een ‘groene omgeving’ op de gezondheid.”

De vaststelling dat mensen al levensmaanden verliezen beneden de normblootstelling ligt politiek gevoelig. Het Nederlandse overheidsbeleid is erop gericht om aan de Europese normen te voldoen. Dat lukt nog niet overal. Sinds 2011 moet Nederland voldoen aan de Europese norm voor fijnstof. Dit jaar moet Nederland, na jaren uitstel, ook voldoen aan de NO2-norm.

„Rijksoverheid en decentrale overheden werken sinds 2009 samen om te zorgen dat Nederland tijdig aan de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide voldoet”, staat als doel in het jaarverslag over 2014 van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Het beperken van gezondheidsschade is niet als doel omschreven, maar is wel bekend: „Vermindering van de concentraties van NO2 en fijnstof leidt tot verbetering van de volksgezondheid, ongeacht of dit boven of onder de grenswaarde gebeurt.”

Binnen Nederland verschilt de NO2-concentratie veel sterker dan de fijnstofconcentratie. RIVM-onderzoeker Fischer: „Het fijnstof ligt als een soort deken over heel Nederland.” De NO2-verontreiniging is afhankelijker van uitstoot door verkeer. Langs drukke wegen worden ook dit jaar nog mensen aan concentraties boven de norm blootgesteld.

Naschrift (12 maart 2015): In een eerdere versie van dit bericht stond dat NO2-uitstoot vooral komt van verkeer en intensieve veeteelt. Dat laatste is niet waar. [red.]

    • Wim Köhler