Joe Bonamassa brengt blues virtuoos, maar op zijn veiligst

Eric Clapton zou wel raad weten met vijf avonden Carré. Hij zou gasten uitnodigen, elke avond een compleet andere set spelen en de laatste eenzame noot uit zijn getergde gitaarhals wringen.

Zo niet Joe Bonamassa, een Amerikaanse discipel van Clapton die met de precisie van een accountant elke avond hetzelfde lesje afdraait.

Bonamassa is willens en wetens blijven steken in de jaren zeventig, toen bluesrock het domein werd van blanke titanen die hun gitaaracrobatiek tot het hoogste doel verhieven.

Joe Bonamassa is kampioen gekke bekken trekken bij een solo. De wijd open mond bij een lange uithaal en de verkrampte blik bij een recordpoging noten riedelen horen bij zijn status van gitaarheld. Tussen zijn eigen bluessongs zet hij nummers van Howlin’ Wolf, Otis Rush en Freddie King in als vehikels voor zijn virtuoze spel. Hij heeft de techniek en de blueskennis, maar niets van de bezieling om die vingeroefeningen naar een hoger plan te tillen. In een recent interview bekende hij dat hij zich tijdens zo’n solo regelmatig afvraagt wat voor warm eten er vanavond op tafel zal staan.

Het pluche van Carré was als een lauwwarm bad voor zijn verzorgde salonblues met volgzame blazers en rollende orgelklanken. Geef Bonamassa een nummer van Jimi Hendrix en het wordt een slaafse coverversie. Geef hem Howlin’ Wolf en de gevaarlijke grom van het origineel wordt gesmoord in zeurderige zang.

Dit is de blues op zijn veiligst; de klaagzang van een man die vanmorgen wakker werd met een kreukje in zijn overhemd.