Indonesië wil weer baas in eigen huis zijn

Indonesië wil meer armslag om handelsconflicten in eigen land te beslechten. Daarom zegt het meer dan zestig bilaterale handelsverdragen op. Ook dat met Nederland.

De Batu Hijau-mijn op het Indonesische Soembawa, eigendom van Newmont (VS).  Foto Sonny Tumbelaka / AFP Foto Sonny Tumbelaka/AFP

Stop een schop in de drassige grond van Kalimantan en je komt de natuurschatten tegen. Goud, koper en heel veel steenkool. Kap de resten hardhout en je wordt miljonair. Voor de kust, in de Straat van Makassar, wordt geboord naar olie en gas.

Op Kalimantan wordt grof verdiend aan grondstoffen. In Berau, een provinciestad aan een brede modderige rivier, trekt een constante stroom platbodems met glinsterende piramides van steenkool voorbij. In de gloednieuwe vertrekhal van het vliegveld drinken op vrijdagmiddag mannen in fluorescerende hesjes hun eerste biertje voor vertrek naar Singapore of Bali.

Het ‘wilde westen’ van Indonesië staat dezer dagen centraal in een internationale juridische strijd die gevoerd wordt door diplomaten, advocaten en politici, nauw gevolgd door niet-gouvernementele organisaties en fiscalisten van trustkantoren aan de Amsterdamse Zuidas.

Indonesië laat dit jaar de eerste van ruim zestig bilaterale investeringsverdragen aflopen. Op 1 juli vervalt het verdrag met Nederland. Het besluit de verdragen niet te verlengen, is opmerkelijk. Bilaterale investeringsverdragen zijn smeerolie van internationale handel. Ze beogen te garanderen dat buitenlandse bedrijven met een gerust hart kunnen investeren zonder het risico te lopen onteigend of afgezet te worden. Maar Indonesië ziet het anders en dat komt voor een belangrijk deel door een slepend conflict op Kalimantan, bekend als de Churchill-zaak.

Schimmige toezeggingen

De zaak begint in 2005 als de regent van Kutai – een district in het oosten van het eiland – de Nusantara Group een vergunning geeft om te zoeken naar steenkool. Dat moet een lucratieve aangelegenheid worden. Onder de grond zit de op zes na grootste voorraad steenkool ter wereld, met een geschatte waarde van tientallen miljarden dollars. Maar Nusantara – eigendom van oud-generaal en verliezend presidentskandidaat Prabowo Subianto – doet er vervolgens niks mee.

Een paar jaar later wil Ridlatama, een groep bedrijven van een andere Indonesische clan, ook het gebied ontginnen. Ridlatama trekt samen op met Planet, een Australisch exploratiebedrijf, en Churchill, een Britse beursgenoteerde mijnbouwer.

Het consortium krijgt toestemming en begint met de voorbereidingen, totdat de regent van Kutai in 2010 de toestemming plotseling intrekt en besluit de vergunningen van Nusantara alsnog te verlengen.

Ridlatama, Churchill en Planet zijn woedend. Wat volgt is een complexe affaire vol beloften en schimmige toezeggingen, van corruptie verdachte regenten, vermeende vervalste documenten, duistere allianties, ruzies en rechtszaken. Het consortium procedeert tot aan de hoogste rechter, maar staat met lege handen.

In een laatste poging compensatie te ontvangen, spannen Churchill en Planet een arbitragezaak aan tegen Indonesië bij het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen, een dochterorganisatie van de Wereldbank met de bindende bevoegdheid torenhoge boetes uit te delen.

 

Waarborg tegen staatsinterventie

De arbitragezaak is een vorm van Investor State Dispute Settlement, een waarborg voor bedrijven die miljardeninvesteringen plegen in het buitenland. ISDS, zoals het genoemd wordt, moet voorkomen dat buitenlandse bedrijven pardoes onteigend kunnen worden in de landen waar ze kostbare fabrieken en raffinaderijen neerzetten of pijpleidingen aanleggen.

Na drie jaar is de arbitrage tussen Churchill/Planet en Indonesië nog gaande. Maar, als de mijnbouwers gelijk krijgen, dreigt een boete tot één miljard dollar voor Indonesië. Betaalt het land de boete niet, dan kan er beslag gelegd worden op staatsbezit wereldwijd, zoals de vliegtuigen van maatschappij Garuda die dagelijks de wereld over vliegen.

Toen de toenmalige Indonesische president Yudhoyono hoorde dat de staat werd gedaagd, sprong hij uit zijn vel. „Als een zaak ter arbitrage wordt voorgelegd, dan hoort de president als eerste genoemd te worden als gedaagde partij”, zei hij tijdens een kabinetsvergadering over de zaak.

Wat de Indonesische regering naar verluidt het meeste stoort aan de arbitragezaak is dat twee ruziënde Indonesische clans, beide onderdeel van de zakelijke elite van het land, internationale overeenkomsten aangrijpen om hun ruzie te beslechten. Niet alleen zou dit gênant zijn voor Indonesië, het zint de regering niet dat deze Indonesiërs een extra mogelijkheid krijgen om buiten het Indonesische recht hun gram te halen, mogelijk met grote financiële gevolgen voor de staat.

Nieuwe status

Churchill en Planet konden arbitrage inroepen, omdat hun thuislanden (het Verenigd Koninkrijk en Australië), net als Nederland, een bilateraal investeringsverdrag met Indonesië hebben, dat bij ruzie een gang naar het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen in Washington DC mogelijk maakt.

Juist daarom wil Jakarta nu van de verdragen af. „Dit is geen kwade wil”, zei Mahendra Siregar, de toenmalige directeur van de Indonesische Investeringsautoriteit BKPM tegen deze krant, vorig jaar nadat het nieuws bekend werd. „Wel is het zo dat er een juiste balans gevonden moet worden tussen de belangen van buitenlandse investeerders en die van Indonesië. Indonesië is niet meer hetzelfde land als veertig jaar geleden. Wij hebben stappen gezet en onze status is veranderd.”

Waar Mahendra op hint is dat Indonesië zichzelf niet meer ziet als hulpbehoevend ontwikkelingsland dat blij moet zijn met iedere euro steun. Als buitenlandse mijnbouwers in Indonesië geld willen verdienen, dan moet dat op Indonesische voorwaarden gebeuren en op een manier waarvan Indonesië profiteert.

Om dezelfde reden voerde Indonesië eind 2014 een wet in die mijnbouwers verbood ruwe grondstoffen te exporteren. Mijnbouwers in Indonesië worden gedwongen smelters te bouwen, wat goed is voor de werkgelegenheid. Bovendien verdient Indonesië meer aan de uitvoer van hoogwaardige verwerkte grondstoffen dan van ruwe ertsen.

Probaat middel

Daarop begon het Amerikaanse Newmont, eigenaar van de Batu Hijau (Groene Steen)-mijn op Soembawa en een van de grootste kopermijnen van Azië, vorig jaar een arbitrage tegen Indonesië, ditmaal tegen het exportverbod.

Pas nadat Newmont afgelopen zomer bij de Indonesische regering enkele vrijstellingen had bedongen, trok het bedrijf de zaak in. Als extra drukmiddel had Newmont de Batu Hijau-mijn stilgelegd en duizenden werknemers naar huis gestuurd.

Nog altijd steggelen de mijnbouwer en de overheid over de voorwaarden van een nieuwe langlopende vergunning, maar de boodschap is duidelijk: Indonesië mag als soeverein land wetten opstellen, de mijnbouwers hebben met arbitrage eveneens een probaat middel in huis.

Het bedrijf uit Colorado baseerde zich op de arbitragemogelijkheid van het Nederlands-Indonesische investeringsverdrag, want op papier is de Batu Hijau-mijn eigendom van Newmont Nusa Tenggara Holdings – 828 miljoen dollar aan bezittingen, nul werknemers – gevestigd aan de Van Bolshuizenstraat 12 in Amsterdam. De mijnbouwer is daarin niet de enige.

De combinatie van lage belastingen en bescherming van investeringen via het arbitragepanel is zó aantrekkelijk, dat grote mijnbouw- en olieconcerns ruim vijfendertig besloten vennootschappen in Nederland hebben om hun activiteiten in Indonesië te besturen. Dat blijkt uit de registers van de Kamer van Koophandel.

Zo controleert het Franse concern Total vanuit het Europese hoofdkantoor aan de Bordewijklaan in Den Haag op papier tientallen olie- en gasvelden wereldwijd, inclusief veertien in Indonesië. En zo is een modern kantoorgebouw tegenover station Mariahoeve, op papier, het zenuwcentrum voor olie- en gaswinning van Halmahera (Molukken) tot Natuna, een klein eilandje tussen Singapore en Borneo, dat om zijn grote hoeveelheid grondstoffen ook door China wordt begeerd.

Nul werknemers

Exploratiemaatschappij KUFPEC uit Koeweit, Lundin uit Zweden, het Amerikaanse ExxonMobil doen hetzelfde. Hun investeringen in Indonesië lopen via de advocaten, fiscalisten en adviseurs aan de Strawinskylaan op de Zuidas of het Bernardplein in Amsterdam-Oost.

Ook Indonesische zakenlieden maken gebruik van de Nederlandse route. Bumi Resources, het grondstoffenimperium van tycoon en voormalig presidentskandidaat Aburizal Bakrie, heeft in Amsterdam een financieringsmaatschappij. In Amsterdam werken nul mensen van Bumi, maar de vennootschap heeft wel 1,6 miljard dollar aan bezittingen.

Het is Jakarta een doorn in het oog dat al deze bedrijven in geval van een hoogoplopend conflict zo maar naar een arbitragehof kunnen stappen.

Indonesië wil meer controle over die toegang tot arbitrage-instanties – om er zelf rijker van te worden. Tijdens de felle campagne voor de presidentsverkiezingen vorig jaar scoorde de uiteindelijke verliezer Prabowo Subianto met zijn tirades over bocor, ofwel „het lek”, refererend aan het weglekken van geld naar het buitenland. De oud-generaal speelde in op het nationalistische humeur van het land.

Protectionistische lijn

Ook de nieuwe president Joko Widodo is van de protectionistische lijn. Hij wil dat Indonesië op korte termijn zelfvoorzienend wordt in voedselproductie. Buitenlandse vissersschepen zonder vergunning worden opgeblazen en binnenkort moeten alle buitenlandse werknemers in het land een verplichte taaltest afleggen alvorens ze hun werkvergunning krijgen.

Het bilaterale investeringsverdrag met Nederland zal per 1 juli als een van de eerste sneuvelen. Het akkoord kwam tot stand in april 1994 tijdens een bezoek van toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Pieter Kooijmans. Het werd gezien als een teken van herstel van de relatie van Nederland met Indonesië, nadat Soeharto twee jaar eerder had besloten elke vorm van Nederlandse ontwikkelingshulp het land uit te gooien.

Destijds was Indonesië de kritiek van minister Jan Pronk (Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) op Indonesische mensenrechtenschendingen op Oost-Timor beu. Nu is het land de postbusbedrijven uit Amsterdam zat.