Hun pijn wordt erkend, zestig jaar na de executies

60 jaar geleden zijn door militairen in Nederlandse dienst mannen geëxecuteerd in Indonesië. Hun kinderen hebben recht op schadevergoeding zegt de rechter. Maar de feiten blijken verwarrend.

Twee nabestaanden van de geëxecuteerden tijdens een pauze in de rechtszaak, augustus vorig jaar in Den Haag. foto REMKO DE WAAL/ ANP

Op de erebegraafplaats van Bulukumba, een provinciestadje op het Indonesische Zuid-Sulawesi staan eenvoudige, verweerde grafzerken. De gesneuvelde helden van Bulukumba trekken doorgaans weinig bekijks.

Toch speelt de verlaten begraafplaats een belangrijke rol in de rechtbank van Den Haag. Gisteren besloten de Nederlandse rechters dat kinderen van slachtoffers van standrechtelijke executies van Indonesiërs, begaan door troepen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger in 1946 en 1947, in aanmerking komen voor een schadevergoeding.

Dat is een doorbraak. In eerdere zaken oordeelde de rechter dat alleen weduwen van geëxecuteerden zo veel geleden hebben dat ze gecompenseerd moeten worden.

Er moet nog wel veel bewijs komen

Voor de vijf kinderen die de zaak aanspanden, inmiddels broze zeventigers en tachtigers, is er nog wel een klus te klaren. Voor het eerst in bijna zeventig jaar hebben ze dan het recht aan hun zijde, maar hun juridisch gelijk omzetten in daadwerkelijke schadevergoeding wordt nog lastig. Er moet namelijk voldoende bewijs zijn dat de vijf inderdaad kinderen zijn van mannen die door standrechtelijke executies om het leven zijn gekomen. En het verloop van de wreedheden van toen nauwkeurig reconstrueren is ingewikkeld, zo blijkt op bezoek in Bulukumba.

Shafiyah Paturusi schuifelt de begraafplaats op. „Mijn vader is hier niet begraven. Hij ligt op een ereveld dertig kilometer verderop. Maar veel vrienden, ook mannen die toen zijn geëxecuteerd, liggen hier wel”, zegt ze. Ze haalt een beduimeld boekje tevoorschijn met daarop 214 namen. „Allemaal dood.” Met haar vinger wijst ze één voor één de namen aan.

Een plakkaat met de namen van de strijders die in Bulukumba begraven liggen, biedt nauwelijks uitkomst. Bij sommige namen staan de jaartallen 1977, 1978, 1979. De zoon van Abdul Halik, die zegt te hebben gezien hoe zijn vader op de knieën moest voor een greppel en werd doodgeschoten, zegt dat de jaartallen staan voor de jaren waarin de lichamen zijn herbegraven. Sommige graven hebben alleen een nummer. Shafiyah Paturusi weet niet wat dat betekent. Wel weet ze dat ze zich zo schuldig voelde toen haar vader uit angst voor de KNIL-soldaten het bos invluchtte. „Wij hadden hem geen schone kleding meegegeven, want het ging zo snel”, zegt de vrouw.

De feiten zijn niet altijd helder

De details zijn levendig, de emoties zijn echt, maar de feiten blijven plooibaar in plaats van glashard. Bij haar thuis kan Shafiyah uren praten over de familiealbums, over de koloniale tijd. Haar vader kijkt nors in de camera, gekleed in een Europees pak met golvend haar. Dat hij geen traditionele kleding van de lokale Bugis-cultuur draagt is verklaarbaar: hij werkte als vaccinateur voor de Nederlanders. Die details zijn voor Shafiyah het belangrijkst. Die kleuren haar leven en vormen de herinneringen aan haar vader. Ze kijkt naar de foto en begint te vertellen. „Ik sprak geen Nederlands want ik mocht niet naar de school waar ze dat onderwezen. Alleen als er een kind van het Koninklijk Huis geboren werd, moesten alle kinderen in het dorp naar het huis van de regent om te zingen. Wil-hel-mus van Nas-sou-we, ben ik van... De rest weet ik niet meer.”

Maar over een basaal feit als haar leeftijd ontstaat verwarring. Zelf zegt ze begin tachtig te zijn en als dertienjarig meisje in 1947 nog goed te weten hoe haar vader werd gearresteerd. In het vonnis van de rechtbank van Den Haag staat 1937 als haar geboortejaar. Als dat klopt zou ze 10 geweest zijn toen haar vader werd gedood en nu nog geen tachtig zijn. Als je in Bulukumba woont, haal je je schouders op over dat soort oneffenheden. De geschiedenis van het stadje krijg je mee via de verhalen. Iedereen weet dat de vader van Shafiyah is geëxecuteerd door de mannen van de beruchte kapitein Raymond Westerling want dat is wat iedereen altijd heeft verteld. En in Indonesië speelt dat doorvertellen van de geschiedenis een veel belangrijkere rol in de geschiedvorming dan in Nederland.

De kinderen van Sulawesi, zoals de groep zeventigers en tachtigers is gaan heten, zullen erkenning zien in het vonnis dat de Nederlandse rechter gisteren heeft geveld. Eindelijk staan ze op gelijke voet met de weduwen van de slachtoffers. In kleine gemeenschappen zoals Bulukumba telt dat haast zwaarder dan de spijtbetuiging en schadevergoeding uit Nederland.

Wanneer? Door wie? Hoe?

Maar het zal nog maanden, zo niet jaren, duren voordat er echt duidelijkheid is of de vijf inderdaad compensatie ontvangen. De weduwen kregen 20.000 euro. De worsteling met het gebrek aan bewijs druipt van het tussenvonnis van de Haagse rechtbank. Van de lijst met 214 namen die Shafiyah toont, willen de rechters weten „wanneer, in opdracht van wie, door wie en op welke wijze” de lijst is opgesteld. Aan verklaringen van dorpshoofden hecht de rechtbank weinig waarde. En met de erevelden zitten de rechters eveneens in hun maag. Niemand die ze nog helder heeft kunnen uitleggen of alle gesneuvelde strijders op die erevelden inderdaad standrechtelijk zijn geëxecuteerd of dat er ook mannen liggen die door toegestane oorlogshandelingen – en dus niet tegen het recht in – zijn gedood. De rechters overwegen een onafhankelijke deskundige in te stellen die het bewijs moet natrekken, inclusief de erevelden van Zuid-Sulawesi. Het wordt nog druk op de begraafplaatsen.