Erkenning komt pas ná bewijs

Nederland moet betalen aan kinderen van geëxecuteerde Indonesiërs. Als er bewijs is.

Gulzig werkt een stier grassprieten naar binnen rond verweerde grafzerken op de erebegraafplaats van Bulukumba. Hij kijkt verstoord op. De gesneuvelde oorlogshelden hier trekken doorgaans weinig bekijks.

Toch speelt de verlaten begraafplaats een belangrijke rol in de rechtbank van Den Haag. Nederlandse rechters hebben gisteren besloten dat kinderen van slachtoffers van standrechtelijke executies van Indonesiërs, begaan door troepen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) in 1946-’47, in aanmerking komen voorschadevergoeding. In eerdere zaken oordeelde de rechter dat alleen weduwen gecompenseerd moeten worden. De kinderen van Sulawesi zullen erkenning zien in het vonnis. Eindelijk staan ze op gelijke voet met de weduwen van de slachtoffers.

Voor de vijf kinderen die de zaak aanspanden, inmiddels broze zeventigers en tachtigers, is er een serieuze mits. In tegenstelling tot eerdere schadevergoedingszaken (29 weduwen kregen ieder 20.000 euro) verlangt de rechtbank individueel bewijs dat de vaders van de kinderen standrechtelijke zijn geëxecuteerd. Dat is ingewikkeld, zo blijkt op bezoek in Bulukumba.

Shafiyah Paturusi negeert de stier en schuifelt de begraafplaats op. „Mijn vader is hier niet begraven. Hij ligt op een ereveld hier dertig kilometer vandaan. Maar veel vrienden, ook mannen die toen zijn geëxecuteerd, liggen hier wel”, zegt ze. Ze haalt een beduimeld boekje tevoorschijn met daarop 214 namen van slachtoffers.

Of de graven inderdaad van geëxecuteerden zijn, blijft mistig. Een overzicht van wie waar ligt en hoe die persoon gedood is, ontbreekt. Er staat alleen een plakkaat met namen. Bij sommige namen staan de jaartallen 1977, 1978, 1979, waarschijnlijk het jaartal van herbegraven. Sommige graven hebben alleen een nummer. Shafiyah Paturusi weet nog dat ze zich zo schuldig voelde toen haar vader uit angst voor de KNIL-soldaten vluchtte. „Wij hadden hem geen schone kleding meegegeven, het ging zo snel.”

De worsteling met het gebrek aan bewijs druipt van het tussenvonnis van de Haagse rechtbank. Met de erevelden zitten de rechters in hun maag. De rechters schrijven dat het onduidelijk is of er geen mannen tussen liggen die tijdens normale oorlogshandelingen zijn gesneuveld. De kinderen kunnen dus niet simpel naar het ereveld wijzen als bewijs dat hun vader is geëxecuteerd. Van de lijst met 214 namen die Shafiyah toont, willen de rechters weten „wanneer, in opdracht van wie, door wie en op welke wijze” de lijst is opgesteld. Aan dorpshoofd-verklaringen hecht de rechtbank weinig waarde.

Als je in Bulukumba woont, haal je je schouders op over dat soort details. Iedereen weet dat de vader van Shafiyah is geëxecuteerd door de mannen van de beruchte kapitein Raymond Westerling.

De details zijn levendig, de feiten blijven plooibaar. Bij haar thuis kan Shafiyah uren praten bij de familiealbums. Haar vader kijkt nors in de camera. Omdat hij als inenter voor de Nederlanders werkte, draagt hij een Europees pak en geen kleding van de lokale Bugis-cultuur. Die details vormen voor Shafiyah de herinneringen aan haar vader. Ze vertelt. „Ik sprak geen Nederlands. Alleen als er een kind van het Koninklijk Huis geboren werd, moesten alle kinderen in het dorp naar het huis van de regent om te zingen. Wil-hel-mus van Nas-sou-we, ben ik van… De rest ben ik vergeten.”