Een pointillistische trui

Het Gemeentemuseum Den Haag nodigde schrijver en kunstenaar Miek Zwamborn uit om als ‘writer in residence’ een half jaar door het depot te grasduinen. „Zwerven levert een andere route op.”

Trui uit WOII die Miek Zwamborn selecteerde voor haar tentoonstelling uit de collectie van het Gemeentemuseum. Bij de trui schreef ze een gedicht. Foto gemeentemuseum den haag

Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, dagdroomt hardop. Stel je eens voor, zegt hij, dat William Faulkner, Nescio of een andere grote schrijver een half jaar door de collectie van het museum had mogen grasduinen. Had dat niet kunnen leiden tot literaire teksten die de kijk op beeldende kunst verbreden?

„Wij kunsthistorici zijn geen literatoren”, zegt de directeur. „Wij zijn van de feiten en de zakelijke teksten. Schrijvers hebben de vertragende blik die tot nieuwe autonome kunstwerken kan leiden.”

Het was romancier Kees ’t Hart die Tempel afgelopen zomer voorstelde om schrijvers uit te nodigen kunst en literatuur in het museum met elkaar te verbinden. Tempel, een gretige lezer, omarmde het voorstel van zijn vriend meteen. Op 1 oktober benoemde hij romanschrijver, dichter, vertaler en beeldend kunstenaar Miek Zwamborn (1974) tot eerste ‘writer in residence’. Elk half jaar wil het museum een andere schrijver door de collectie laten zwerven, op zoek naar kunstwerken en verhalen. Waar die dwaaltochten toe leiden, ligt niet vast. Tempel: „We hopen op literaire teksten die een andere blik werpen op de collectie, het museum of de bezoekers. Die teksten kunnen we op zaal hangen, in catalogi opnemen of uitgeven.”

De komst van de eerste gastschrijver heeft tot veel meer geleid. Zwamborn stelde de tentoonstelling Getemde hemel samen, die vanaf volgende week in het museum te zien is. Bij de tentoonstelling verschijnt ook een publicatie met gedichten, aantekeningen, foto’s en archiefmateriaal van Zwamborn, gebaseerd op de schetsboeken die zij in het depot vond.

Een conservator leidde Zwamborn op haar eerste ‘werkdag’ rond. De dichteres verbaasde zich over mistflarden in een binnentuin. Ook zag ze een schaduw van een wolk over een van de doeken van Rothko trekken. Toen ze niet veel later in de leeszaal door de kronieken van het Gemeentemuseum bladerde, wist ze dat ze een tentoonstelling wilde maken over de in het museum opgesloten meteorologie. Ze zag op foto’s in het archief hoe het net voltooide gebouw van Berlage op 10 mei 1940 bij de Slag om Den Haag was beschadigd. Door een granaatinslag in de borders voor het museum brak het glas uit de sponningen van de ramen en hadden regen en wind in sommige zalen lange tijd vrij spel. Zwamborn: „Die foto’s waren imposant, van een catastrofale schoonheid.”

Wat betreft barre weersomstandigheden is Miek Zwamborn wel wat gewend. Ze is fervent bergwandelaar, waarvan haar roman De duimsprong getuigt, en ze zal een van de weinige schrijvers zijn met een nautische cv; bijna twintig jaar lang was ze brug- en sluiswachter en in haar academietijd verbleef ze een half jaar midden op zee, waar ze probeerde de ziel van het lege landschap te tekenen.

Het afgelopen half jaar dwaalde de gastschrijver elke dinsdag door de collectie op zoek naar kunstwerken die bij haar thema zouden passen. Dat dwalen moet niet al te letterlijk worden opgevat. Ze sprak met conservatoren en ze zocht in de bestandscatalogus op trefwoorden als ‘lucht’, ‘wind’, ‘regen, ‘sneeuw’ en ‘mist’. Die laatste methode leverde soms onbedoelde resultaten op: bijvoorbeeld kledingstukken waaraan volgens de beschrijving een knoop ‘mist’. Maar de trefwoorden leidden ook naar een geheimzinnige tekening van een windvlaag, door apotheker-kunstenaar Oey Tseng Sit. Of een serie foto’s van een papieren zakje dat danst op de wind, gemaakt door Gerard Fieret.

Ze zocht op de tast, zegt de gastschrijver. Blij was ze met de suggestie van de modeconservator, die haar wees op een gebreide wollen trui uit de Tweede Wereldoorlog, een kledingstuk dat nog nooit op zaal te zien was. De oorlogstrui heeft duidelijk vele weersomstandigheden getrotseerd: de trui valt haast uit elkaar, transpiratie heeft de oksels weggevreten en de gaten in de trui werden tientallen keren dicht gemaasd met draden die in kleur variëren, waardoor de gerepareerde trui aan een pointillistisch schilderij doet denken. Zwamborn: „Ik stuitte op dingen die vergeten waren. Er ligt zoveel materiaal in de depots dat het daglicht niet meer zal zien. Conservatoren moeten heel gericht werken en kunnen niet een hele middag in één doos neuzen. Zwerven levert een andere route op. Niet de rechtlijnige kunsthistorische blik, maar een zoekende, meer persoonlijke kijk.”

Bij de geselecteerde werken heeft Zwamborn teksten en gedichten geschreven, die als boek in wording drie maanden zullen worden getoond. De tentoonstelling zal in beweging blijven en steeds veranderen. Ze vindt het moeilijk om dingen vast te leggen, zegt de gastschrijver. „Er bestaat niet zoiets als één absolute mogelijkheid. Als je je in iets verdiept, dan is het nooit af. Als mijn uitgever me voor een roman geen deadline zou stellen, bleef ik er mijn hele leven aan doorwerken. Niet om het steeds verder te perfectioneren, maar meer omdat in het onvoltooide het moment van ontstaan nog zichtbaar is.”

    • Arjen Ribbens