Column

Op safari

Stil tuurt hij over de polder. Zijn groene, schuine ogen tot spleetjes geknepen. Het grijsbruine haar valt in kruinen. Zijn nek spant zich en hij draait zijn scherpe kaak naar links. „Het was niks”, zegt hij en hij neemt een hap van zijn tosti. „Het was een hond”, zegt Cor.

Dinsdagochtend half elf vertrekt Jos de Bruin, wolvenkenner, met twee politiebusjes uit Losdorp naar de Eemshaven. Een van de agenten heeft een narcosegeweer bij zich. Ze rijden naar de Westlob, het uiterste puntje, waar het Doekegatkanaal de haven instroomt. Aan de overkant liggen de Waddeneilanden. „Heb je wel eens een wolf gezien”, vraagt De Bruin aan de agent. „Drie keer”, zegt de agent. „Da’s niet vaak”, zegt hij.

Op deze plek is drie uur eerder de wolf gezien. Een mannetje of een vrouwtje? De Bruin denkt een vrouwtje, maar door de dikke vacht is dat niet goed te zien. Ze draafde door de wei voor de bergen van steenkool en de energiecentrale langs en stak weifelend een spoorlijn over. Op het filmpje is te zien hoe ze terugdeinst als een Mercedes naast haar opduikt. Ze ziet er eenzaam uit.

Een team van agenten, ecologen, natuurbeschermers en twee Duitse biologen probeert de wolf te vinden. Ze willen haar ‘invangen’, DNA afnemen om te zien of ze een echte wolf is, een zendertje inbrengen en haar dan op weg naar Drenthe helpen. Dat laatste hoopt Jos de Bruin te mogen doen. In de achterbak van zijn Renault-bestelauto staat een transportkooi klaar.

Een stukje ongerepte natuur in Nederland, dat kan wel wezen, maar dan niet zonder observatie, registratie en begrip. Bovendien kan de veiligheid in het geding zijn, zegt de woordvoerder van de provincie Groningen die al vijf dagen niet aan zijn gewone werk toekomt.

Jos de Bruin pendelt met zijn assistent Cor Scheepers over de N33 tussen Eemshaven en Delfzijl. Achter hen een kleine karavaan van wolventoeristen: drie auto’s en een busje van de zoogdierenvereniging. Als Jos de resten van een dode meeuw bekijkt, klikken hun camera’s mee. „Nee”, oordeelt Jos, „die was geen prooi.” Aan het begin van de middag wordt hij naar Ezinge geroepen, daar zou de wolf zijn gezien. Hij keert onverrichter zake terug. „Dan had ze in vier uur 32 kilometer moeten lopen.” In de auto beantwoordt Cor steeds telefoontjes van de volgers.

Jos zegt altijd een neus voor wilde dieren te hebben gehad. „Ik ving als jongen salamanders en kikkers en ik had een wolfhond.” Zijn honden werden wolven. „Die eten je bankstel op. Mijn ex-vrouw vond het niet zo leuk.” Inmiddels bezit hij negen wolven en twee dingo’s in zijn crèche over de Duitse grens.

Om tien over drie komt er een telefoontje uit Overschild. Daar is de wolf net gefilmd. Jos keurt de beelden af. „Een grijsachtige hond.” Dan rijdt hij met de karavaan nog eens naar de Westlob op zoek naar sporen. In de klei vindt hij een onberispelijke pootafdruk van 10,5 cm lang en 9 cm breed. Iemand legt er een pakje kauwgom naast. „Dan kan ik thuis de ware grootte laten zien.”

„Wolvenspotters op safari”, zegt Cor geërgerd. „Het moeten geen tien wolven worden. Dan loopt het verkeer vast.”