Niets mis met rendement als het leidt tot harder studeren

De academische gemeenschap lijkt een in zichzelf gekeerde groep ingewijden die een blanco cheque wil zonder daarvoor rekenschap af te leggen, meent Jonathan van ’t Riet.

illustratie adam zyglis

Het debat over het Nederlandse hoger onderwijs wordt gekenmerkt door emoties, luie aannames en onjuiste redeneringen. Ook in deze krant worden ondanks bijdragen van academische supersterren drie totaal verschillende zaken, namelijk rendement, kwaliteit en participatie, door elkaar geklutst tot een warrige brei.

De leidende gedachte lijkt te zijn: kwantiteit is slecht, want het is geen kwaliteit. Een goede weergave van een sentiment dat breed gedeeld wordt door studenten en docenten in het hoger onderwijs. Maar de gedachte dat kwantiteit geen rol zou moeten spelen in het onderwijsbeleid is onzinnig. Hoe zit het dan wel?

Rendement in het hoger onderwijs verwijst naar het succes waarmee een student studeert. Haalt de student een diploma en hoelang doet hij of zij daarover? Sturen op rendement is goed, want het hoger onderwijs wordt er goedkoper door. Als wij in Nederland hoogwaardige bachelordiploma’s kunnen uitreiken voor gemiddeld 30.000 euro is dat simpelweg beter dan wanneer ze 35.000 euro kosten. Die 5.000 euro kunnen dan immers aan andere nuttige zaken worden besteed.

Participatie in het hoger onderwijs verwijst naar het percentage Nederlanders dat op enig moment een hbo- of wo-opleiding volgt. Een rapport van de OESO uit 2007 heeft al betoogd dat er in Nederland nog redelijk wat ruimte is om deze participatie te verhogen. Door de internationale concurrentie van de 21ste eeuw hebben wij een slimme beroepsbevolking nodig.

Overigens suggereerde deze krant dat de overheid actief een hogere participatie nastreeft, maar dat klopt niet. In de afgelopen jaren werd de zogenaamde ‘participatieagenda’ soms nog wel met de mond beleden, maar werden er vrijwel geen concrete maatregelen genomen. Helaas is de participatieagenda in feite zo dood als een pier.

Ja, zullen velen denken, maar participatie leidt toch automatisch tot een verlies aan kwaliteit? Dat lijkt in ieder geval de gedachtegang van Ad Verbrugge, voorzitter van de vereniging Beter Onderwijs Nederland. „Waarom moet eigenlijk de halve bevolking hoogopgeleid zijn?”, zei hij in NRC Handelsblad van 3 maart. Hier openbaart zich een elitaire houding die niet past bij iemand die zegt in onderwijs te geloven. Iedere docent kan dagelijks in de praktijk zien dat studieprestaties niet alleen door aanleg worden bepaald, maar ook door inzet.

Als studenten harder werken kan de participatie omhoog, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit. Uiteraard kan niet iedereen een hbo of wo-diploma halen, maar er is geen enkele reden om niet te streven naar een slimmere samenleving met meer hoger opgeleiden. Het feit dat volgens een een rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau uit 2011 maar liefst 85 procent van de tweede generatie Chinese Nederlanders in 2009 begonnen was aan een studie in het hoger onderwijs, tegen slechts 59 procent voor autochtone Nederlanders spreekt boekdelen.

Wat betreft rendement ligt het ingewikkelder. Het is ontegenzeggelijk waar dat de kwaliteit van het hoger onderwijs is gekelderd door de huidige praktijk waarin de financiering van instellingen afhangt van het rendement. Universiteiten krijgen geen extra geld voor studenten met studievertraging, terwijl die natuurlijk wel extra onderwijs ‘gebruiken’ en dus extra geld kosten. Erger nog: universiteiten krijgen een aanzienlijk deel van hun inkomsten naar rato van het aantal uitgedeelde diploma’s. Dit is natuurlijk vragen om problemen en moet zo snel mogelijk veranderd worden. De actievoerders in het Maagdenhuis hebben dan ook een goed punt wanneer ze terug willen naar zogenaamde ‘inputfinanciering’, op basis van studentenaantallen. Maar ook in zo’n systeem blijft het nodig om op rendement te sturen. De meest voor de hand liggende manier om het rendement te verhogen is om maatregelen te nemen waardoor studenten harder gaan werken. Financiële consequenties bij het niet halen van vakken, bijvoorbeeld. Of juist beloningen voor studenten die wel goed presteren.

Allicht is deze gedachtegang te technocratisch voor de studenten die de afgelopen week in actie kwamen en de docenten die met hun sympathiseren. Want, hé, nu gaat het toch weer om geld! Maar de huidige afkeer van alles wat met kwantiteit te maken is contraproductief.

De academische gemeenschap wekt de indruk van een in zichzelf gekeerde groep ingewijden die het liefst met een blanco cheque van de belastingbetaler aan het werk gaat, zonder rekenschap af te willen leggen. In het veelbesproken rapport Naar een lerende economie heeft de WRR al opgemerkt dat Nederland een lange traditie kent van onderwijsvrijheid, die als keerzijde heeft dat er nauwelijks een maatschappelijk debat is over wat het onderwijs eigenlijk moet overdragen. Het hoger onderwijs verdient een rationeler debat, met als doel beter en efficiënter onderwijs, voor meer mensen.