Column

Impasse (2)

Vorige week drukte ik op deze plek het bekende sonnet Impasse van Martinus Nijhoff af. Sommige lezers vonden dat maar half werk; Nijhoff had immers later een tweede versie geschreven met een heel ander slot – zou het niet aardig zijn die ook te laten zien? Zeker. Maar voor de duidelijkheid eerst nog even die eerste versie.

Wij stonden in de keuken, zij en ik.

ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.

Maar omdat ik mijn schaamde voor mijn vraag

wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,

en de kans hebbend die ik hebben wou

dat zij onvoorbereid antwoorden zou,

vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,

haar hullend in een wolk die opwaarts schiet

naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan

druppelend water op de koffie giet

en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Nijhoff publiceerde dit gedicht in vrijwel deze bewoordingen al in 1935. Maar reeds een jaar later laat hij een andere versie verschijnen als achtste sonnet in de cyclus Voor dag en dauw. De laatste twee strofen zijn ingrijpend veranderd.

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan.

Weer is dit leven vreemd als in een trein

te ontwaken en in ander land te zijn.

En zij antwoordt, terwijl zij langzaam-aan

het drup’lend water op de koffie giet

en de damp geur wordt: een nieuw bruiloftslied.

Veel poëzieliefhebbers vonden de eerste versie de beste. Nijhoff vond dat ook: toen hij het gedicht in 1947 opnam in de vijfde druk van Nieuwe gedichten viel hij terug op die eerste versie. Maar Gerrit Komrij prefereerde in zijn bloemlezing In liefde bloeyende de tweede versie. De eerste mocht dan moderner klinken „met het broodnodige vleugje nihilisme”, de tweede was coherenter en gaver.

Als het alleen om een poëtische impasse ging – een writer’s block – waarom zou de dichter zich dan zo schamen, vroeg Komrij zich af. Juist uit de slotregel van de tweede versie bleek volgens hem dat hier een ‘relatiekwestie’ speelde. Pas dat maakte de schaamte en de aarzeling uit het begin begrijpelijk. Maar dan moesten we, aldus Komrij, wel de nadruk op ‘nieuw’ leggen. Dan zegt de echtgenote in feite: „Probeer het nog eens. Maak een nieuw bruilofslied voor ons... Dat vorige van je, dat is niet veel geworden.”

Deze lezing van Komrij is ook twintig jaar later nog knap en zeer verleidelijk, maar mijn bezwaar is dat hij het gedicht van zijn speelse meerduidigheid ontdoet. Nijhoff suggereert in zijn eerste versie die relatiecrisis hooguit lichtjes, je kunt zijn slotregel daar lezen als: „Ik weet niet hoe het met ons verder moet.” Hij hield het liever bij die suggestie en daarom zal hij naar deze versie zijn teruggekeerd, vermoed ik.