De western gaat nooit verloren

Het westerngenre, al een halve eeuw op zijn retour, is geglobaliseerd en beleeft een kleine revival.

Toen de Franse regisseur David Oelhoffen begon aan een filmscript naar Albert Camus’ korte verhaal De gast, begreep hij direct dat het een western moest worden. Europese beschaving versus stam versus persoonlijke ethiek. Taaie mannen die samen moeten zien te overleven in het majestueuze, meedogenloze decor van het Atlasgebergte.

Daarmee vult Oelhoffen een leemte: Frankrijk is een van de weinige landen die geen eigen westerns produceerde. Terwijl het, als gewezen kolonisator van de Sahara, daarvoor toch een geschikte geschiedenis lijkt te hebben. Tot in de jaren vijftig bood het Franse imperium in Noord-Afrika inspiratie voor talloze vreemdelingenlegioenfilms, waarin mannen met een troebel verleden galante avonturen beleefden met woeste bedoeïenen, exotische schonen („come with me to the kashba”) en blanke dames in nood. Maar de wrede Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd van 1954-1962 maakte een eind aan die filmtraditie: het koloniale Noord-Afrika werd een taboeonderwerp.

De dekolonisatie verklaart waarom er nauwelijks Franse of Britse westerns bestaan. Anders dan de rest van Europa, waar de western zich sinds de jaren zestig voortvarend verspreidde, juist toen het filmgenre in Amerika op zijn retour raakte. Eind jaren vijftig maakte de frontiermythe – de verovering van het westen vormde de ruige, democratische ziel van Amerika – plaats voor blank schuldgevoel. In de ‘revisionistische western’ van de jaren zestig was het onderscheid tussen goed en kwaad, beschaafd en wild, man en vrouw niet meer helder en viel niet langer bij elk schot een indiaan van zijn paard. Het Wilde Westen werd een plek van onrecht en racisme waar autoritaire vaderfiguren van het John Wayne-type een schrikbewind uitoefenden. De nieuwe westernheld was een cynische outlaw.

Sauerkrautwesterns

Door blank schuldgevoel werd de western in de VS beladen en raakte uit de mode. Maar omdat elders de vraag wel groot bleef, sprongen Europese filmmakers in de bres toen Hollywood de westernproductie terugschroefde. Zo waren er, vanaf 1962, sauerkrautwesterns: een dozijn succesvolle West-Duitse westerns naar verhalen van Karl May, met de verlopen Amerikaanse acteur Lex Barker als Old Shatterhand.

Die films inspireerden de Italiaanse regisseurs Sergio Leone en Sergio Corbucci tot een serie bloedige, cynische wraakwesterns die met veel succes naar Amerika werden geëxporteerd en daar laatdunkend spaghettiwesterns werden gedoopt. Dat werd een geuzennaam, waarna elke niet-Amerikaanse western naar nationale schotels werd vernoemd: curry-westerns (India), paëlla-westerns (Spanje), meat pie-westerns (Australië), borsch-westerns (Sovjet-Unie). Mogelijk maakt Martin Koolhoven met zijn internationale coproductie Brimstone dus straks de eerste stamppot-western.

Westerns kunnen zich inmiddels ook in heel andere tijden en woestijnen afspelen: de Australische outback (The Proposition, 2005), de steppes van Mantsjoerije in de jaren dertig (het Koreaanse The Good, The Ugly, The Weird, 2008), de Gobi-woestijn (het Chinese No Man’s Land, 2014). In een distopische toekomst of zelfs in de ruimte. De western blijft altijd aantrekkelijk voor filmmakers, denkt Martin Koolhoven, omdat menselijk drama in de grootsheid van de natuur vanzelf een mythische dimensie krijgt. Dat ze relatief goedkoop te maken zijn, helpt ook.

Dus verdwijnt de western nooit helemaal en maakt hij periodiek een revival door. Waarbij nieuwe westerns niet teruggrijpen op de klassieke western – die hooguit goed is voor parodie – maar op de spaghettiwestern, de revisionistische western en de existentialistische western (blanke man vindt spirituele verdieping in de woestijn) van de jaren zestig.

Periodieke revival

In Amerika was er een kwart eeuw geleden zo’n revival met films als Dances with Wolves (1990) en Clint Eastwoods Unforgiven (1992) die oude mythes over heldendom, mannelijkheid en blanke superioriteit ondergroeven. Sinds 2010 lijkt er sprake van een golf feministische en antiracistische westerns: Meek’s Cutoff, True Grit, Django Unchained en The Homesman. Ook in Europa steekt het genre weer de kop op, met een Oostenrijkse, Duitse en een Deense, mede door Lars von Trier geschreven, western (The Salvation).

Loin des Hommes past dus in een trend. Een ‘escortwestern’ in de trant van Stagecoach of 3:10 to Yuma: films waarin outlaw en bewaker, of gewezen militairen van Noord en Zuid, onderweg door gedeeld gevaar naar elkaar toegroeien. Regisseur David Oelhoffen zelf verwijst naar pro-indiaanse westerns van The Devil’s Doorway tot Arthur Penns Little Big Man: films waarin een trapper of halfbloed laveert tussen hebzuchtige blanken en kortzichtige indianen en – meestal tevergeefs – de vrede tracht te bewaren.

In de Algerijnse context leidt dat tot een andere energie, aldus Oelhoffen. In de western is zo’n bemiddelaar tussen beschaafd en wild een tragisch figuur die moet toezien hoe de ‘beschaving’ met geweld en genocide zegeviert. Maar in Algerije anno 1954 ligt dat anders: dorpsonderwijzer Daru moet in Loin des Hommes inzien dat neutraliteit in de koloniale context onmogelijk is. Hij mag zichzelf dan als outsider zien, toch is hij een radertje in de koloniale machine die Algerijnse dorpskinderen de topografie van Frankrijk leert. „Een missionaris, een beschavende invloed, maar ook onvermijdelijk de drager van de mythe van Frans universalisme, de verovering van de wereld door Europese waarden”, schrijft Oelhoffen. Zijn tijd is voorbij: in Algerije wonnen de indianen het immers van de cowboys.