De Togacolumn: Met recht van spreken

Als ze zich seksueel zou laten gebruiken door deze jongens, zo zeiden ze tegen haar, zou ze niet worden geschopt en geslagen, zou haar geen pijn worden gedaan. Dít keer niet. Ze liet het toe, onder bedreiging van een mes en een neppistool, en deed wat haar gezegd werd. Nadat ze door deze groep jongens was verkracht en vernederd, raakten de klappen en schoppen haar misbruikte lichaam alsnog. Verkracht, bedreigd en mishandeld. Wekenlang, in haar eigen buurt. Deze gebeurtenissen lieten niet alleen blauwe plekken achter op haar toen nog 13-jarige lichaam, maar kneusden ook haar zwakbegaafde geest. Ze heet Tessa.

We schrijven 2001. Het jaar waarin voor de eerste keer werd toegestaan dat een moeder van een slachtoffer in de rechtszaal haar verhaal mocht doen in het bijzijn van de minderjarige verdachten en hun ouders. Ik was toen nog advocaat, háár advocaat. Een spreekrecht voor slachtoffers kende de wet toen nog niet. Maar het schrijnende verhaal van Tessa en de effecten die deze gruwelijke gebeurtenissen op haar leven hadden, moesten kunnen worden verteld, moesten kunnen worden gehoord. De Amsterdamse rechter stond het toe; een moedige en grensverleggende beslissing.

Een novum, een unieke gebeurtenis, zo werd het door een woordvoerder van de rechtbank en door de politiek genoemd in de diverse nieuwsbladen. Slachtoffers speelden tot dat moment in het strafproces nauwelijks een rol, behalve als aangever of getuige en voor een schadevergoeding. Kort voordat deze zaak diende was een initiatiefwetsvoorstel ingediend om het spreekrecht van slachtoffers in de rechtszaal wettelijk te regelen. De zaak van Tessa onderstreepte volgens de initiatiefnemer van het wetsvoorstel, Boris Dittrich (D66), het belang van het slachtofferspreekrecht. De maatschappelijke verontwaardiging over deze meedogenloze groepsverkrachting was groot. Het wetsvoorstel werd aangenomen, en trad niet lang daarna in werking. De tijd voor meer aandacht voor het slachtoffer – ook internationaal - was rijp.

Nu, bijna vijftien jaar later, is het tijd om de balans op te maken. Het slachtoffer is in ons strafproces niet meer weg te denken. De positie van het slachtoffer wordt sterker, wint steeds meer terrein en heeft steeds meer in de wet vastgelegde rechten. Al gaat dat voor sommigen nog steeds niet ver genoeg. In de meest recente discussies gaat het er zelfs om of het slachtoffer moet kunnen meedenken en adviseren over juridische vraagstukken en de hoogte van de aan de verdachte op te leggen straf. Maar zit het gros van de slachtoffers hier eigenlijk wel op te wachten? En hoe zit het dan met de positie van de verdachte?

Moeten we ons niet eerst richten op een betere uitvoering van de rechten die een slachtoffer al heeft? En die misschien nog niet optimaal zijn vervuld: namelijk een goede informatieverstrekking, een correcte bejegening en schadevergoeding.

De kunst is nu om in al deze ontwikkelingen een nieuw evenwicht te vinden. Zoiets vereist grote omzichtigheid en professionaliteit van de kant van politie, OM en de overige organisaties in de slachtofferketen. Aldus de inmiddels afgetreden staatssecretaris Teeven in zijn toespraak ter afsluiting van een onlangs gehouden symposium van Slachtofferhulp Nederland op de Europese Dag van het Slachtoffer. Hij roept politie en OM op om mee te denken en te discussiëren hoe een goede balans kan worden gevonden tussen bejegening en waarheidsvinding. Een oproep waaraan overigens reeds wordt voldaan. Uiteraard hebben ook de rechter en de advocatuur hierin een stem.

Al deze ontwikkelingen zijn toe te juichen. Als van het slachtoffer maar niet méér wordt verwacht dan waar het slachtoffer zelf om vraagt. Als het slachtoffer maar niet lijnrecht tegenover de verdachte wordt geplaatst en een stuwende kracht wordt van maatschappelijke empathie en verontwaardiging. Want dan schieten we ons doel voorbij. Maar ook het omgekeerde is belangrijk, namelijk dat het slachtoffer niet méér van het strafproces of de overheid verwacht dan in de wet is geregeld of dat het justitieapparaat kan bieden.

Ik ben Tessa niet vergeten. De stilte in de zittingszaal aan de kant van het slachtoffer werd doorbroken door het leed van Tessa. Mede door wat haar overkwam, hebben slachtoffers nu een stem. Een stem die binnen de muren van justitie mag klinken, maar die niet onbegrensd kan zijn.

Miranda de Meijer is advocaat-generaal bij het ressortsparket in Den Haag. De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door een advocaat, een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie en een rechter. Volgende week Joyce Lie, bestuursrechter bij de Rechtbank Oost-Brabant in Den Bosch.