Zelden was een dichter zo onnavolgbaar zichzelf

H.H. ter Balkt (1938-2015)

Dichter

Als geen ander kon H.H. ter Balkt voortrazen én subtiel zijn. Hij laat bijna tweeduizend pagina’s schitterende flitsen na.

„Betere poëzie dan die van Ter Balkt wordt in ons taalgebied niet geschreven”, concludeerde Piet Gerbrandy vorig jaar bij de verschijning van de verzamelde Ter Balkt, Hee hoor mij Ho simultaan op de brandtoren. De stoet jongere dichters die hem toen eerde, van Mustafa Stitou tot K. Michel en Alfred Schaffer, blijft verweesd achter. De 76-jarige Ter Balkt overleed zondagnacht in zijn slaap, thuis in Nijmegen. Uitgeverij De Bezige Bij sprak van een ‘broze’ gezondheid.

De statuur van H.H. ter Balkt in de Nederlandse poëziewereld is onmogelijk te overschatten. Hij dankte die niet aan connecties in de literaire wereld of aan de media, maar aan een onverbiddelijke keuze voor de poëzie. „Men zegt wel eens: hij is zichzelf”, schreef Ilja Leonard Pfeijffer. „Maar zelden heb ik een dichter gezien die zo onnavolgbaar zichzelf is als Ter Balkt.” In het werk van Ter Balkt (1938) is de taal onophoudelijk in beweging – banjerend over de akkers of donderend langs de hemel, met regels als ‘de tijd is een mesjokkeme dokter’, maar ook ‘Mijn moeder was een toren,/ mijn vader was een put’.

Voorin zijn debuut Boerengedichten (1969) schreef Ter Balkt: „Ik loop liever door brandnetels dan dat ik poëzie lees, laat staan schrijf. Wie durft dat nog? Dit is dus geen poëzie. Dit is een oorlogsverklaring aan de dichters, de fossielen van een voorbij tijdperk.” Ter Balkt publiceerde toen nog als Habakuk II de Balker. De titel Boerengedichten, was programmatisch. Zijn hele loopbaan zou Ter Balkt, opgegroeid in Twente, over het platteland blijven dichten. Zijn brood verdiende lang hij als onderwijzer, van tijd tot tijd publiceerde hij ook proza.

Het boerenland betekende voor hem óók een verbinding met het verleden, een idee dat hij weergaloos uitwerkte in zijn over drie bundels verspreide sonnettenreeks Laaglandse Hymnen, over de geschiedenis van de steentijd tot het heden, inclusief een voetbalinterland tussen Nederland en Engeland (‘Oh/ dat klappertanden in ’t stadion!’). Het tekent de breedte van het talent van Ter Balkt, die ogenschijnlijk ongericht voort kon denderen, maar ook vormvast kon zijn, even luidruchtig als subtiel.

Tot die reeks behoorde het klassieke gedicht ‘Ötziman op de Ötztaler Alp’ uit 2003), waarin ‘ijsman’ Ötzi wordt gebruikt om de lange lijnen in de geschiedenis te tonen, terwijl de steentijdjager vol empathie wordt getekend. Ter Balkt kreeg in de loop der jaren de Jan Campertprijs (1988), de Constantijn Huygensprijs (1998) en de P.C. Hooftprijs (2003). Toch zei hij tien jaar geleden zich nog een beginner te voelen in de poëzie. „Maar ook een marktkoopman die half analfabeet is, kan in een flits de mooiste regels van de eeuw schrijven”, voegde hij eraan toe. Van die flitsen heeft hij er honderden aaneengeregen, in een oeuvre dat tot het imposantste behoort dat de afgelopen halve eeuw in het laagland is geschreven – en elders.