Soms geven ze je honing, meestal intimideren ze je

Marokko nodigde Marokkaanse journalisten die buiten het land wonen uit om Internationale Vrouwendag te vieren. Binnenslands is het treurig gesteld met de persvrijheid, schrijft Lamyae Aharouay.

Illustratie Aart-Jan Venema

In de lobby van het prestigieuze Sofitel in Rabat staan op 7 maart, een dag voor Internationale Vrouwendag, zo’n veertig vrouwen uit Europa, de VS en Canada. Ze hebben twee dingen gemeen: Marokkaanse roots en het journalistieke vak. Een kleine drie weken geleden kregen ze allemaal dezelfde uitnodiging in hun mailbox:

„In het kader van de viering van de Internationale Vrouwendag roemt de Minister die Belast is met Marokkanen Woonachtig in het Buitenland de Marokkaanse journalisten wereldwijd.”

Vliegticket, hotelovernachtingen en diners in het Sofitel, alles is voor ze geregeld (en betaald). Bij aankomst in hun hotelkamer ligt een mand met Marokkaanse producten voor ze klaar: olijfolie, arganolie, honing. En een kaartje: „Met de groeten van de Minister die Belast is met Marokkanen Woonachtig in het Buitenland en van Integratiezaken. Anis Birrou.”

Het programma dat hen wacht is veelbelovend: onder andere een privérondleiding in het pas geopende Musée Mohammed VI d’Art Moderne et Contemporain, en een optreden van de populaire cabaretière Hanane Fidali.

Wel of niet ingaan op de uitnodiging

In de lobby staat de groep die op de uitnodiging is ingegaan. Ik sta erbij. Wel of niet ingaan op zo’n uitnodiging is een dilemma. Is het journalistiek verantwoord als alles voor je wordt betaald? Wat vind ik ervan dat ik op basis van mijn nationaliteit ben uitgenodigd? Hoe weet Marokko eigenlijk dat ik journalist ben? In de papieren die ik moet invullen als ik Marokko binnenkom, voer ik dat expres nooit in.

En, boven alles, is het niet heel hypocriet dat Marokko journalistes van buiten het land in het zonnetje wil zetten, terwijl de persvrijheid in Marokko veel te wensen over laat? Het is uiteindelijk die tegenstelling die me intrigeert, en me over de streep trekt om toch te gaan.

In het museum raak ik aan de praat met een journaliste uit Noorwegen. Ik leg haar het dilemma waar ik zelf mee heb geworsteld voor, en vraag haar of ze ook moeite heeft met de uitnodiging. De eerlijkheid gebiedt mij toe te geven dat ik de vraag niet aan iedereen durf voor te leggen. Het voelt alsof ik roddel over de gastheer, als hij even in de keuken staat. Maar de Noorse knikt instemmend, terwijl ze naar een cameraman verderop wijst. Zachtjes: „It feels like... Are we being used?” Daarmee vat ze het ongemak goed samen.

Een cameraploeg volgt iedere stap die de groep zet. Alles wordt vastgelegd voor het journaal, zodat Marokkaanse televisiekijkers kunnen zien hoe Marokko vrouwen in de media roemt. Een mooi plaatje voor de bühne.

Afghanistan staat hoger op de lijst

Marokko bungelt onder aan de persvrijheidindex van Reporters Without Borders (RWB), op nummer 136 van de 180. Afghanistan staat bijvoorbeeld hoger op de lijst. In Marokko, schrijft RWB, wordt journalistiek verward met terrorisme. Een tekenend voorbeeld daarvan is het verhaal van Ali Anouzla. In een medialandschap waarin politieke partijen kranten bezitten, was Anouzla een van de weinigen met een redelijk onafhankelijke nieuwswebsite, Lakome. Tot 2013. Dat jaar publiceert hij een scoop: de Marokkaanse koning heeft gratie verleend aan een veroordeelde Spaanse pedofiel. Het nieuws zorgt voor ophef, iets dat de Marokkaanse koninklijke familie juist probeert te voorkomen. Na de publicatie gebeurt er even niks. Een paar maanden later publiceert een Spaanse website een video waarin Al-Qaeda bedreigingen uit richting Marokko. Anouzla schrijft er een stuk over, en linkt naar het Spaanse artikel. In september 2013 wordt hij gearresteerd op basis van een antiterrorismewet.

Het past perfect in de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten, vertelt een correspondent met wie ik in Rabat heb afgesproken. Buiten de door het ministerie geplande activiteiten om ben ik de stad ingegaan om deze journalist te spreken. Ik mag schrijven over ons gesprek, op voorwaarde dat ik geen naam noem. Dat kan voor de persoon in kwestie problemen opleveren. „Hier wachten ze net zolang tot je een fout maakt. En dan pakken ze je hard.” Het proces tegen Anouzla wordt steeds uitgesteld. Ondertussen kan hij niet werken. „Het is een manier om hem kapot te maken en ons, andere journalisten, bang te maken.” Het wordt journalisten, ook correspondenten, op meerdere manieren moeilijk gemaakt. Aftappen, intimidatie en achtervolgd worden zijn voor correspondenten de praktijk. „Ik weet zeker dat ze op de hoogte zijn van het gesprek dat wij nu voeren.”

De intimidatie werkt. „Als journalist ben je je ervan bewust dat er naar je gekeken wordt. Dat beïnvloedt je werk. Soms betekent dat zelfcensuur. Zolang je het systeem niet te vaak, of te hard, uitdaagt kun je prima je werk doen. Er zijn drie onderwerpen die hier extreem gevoelig liggen: de koning, de islam en de Sahara.”

Terug in het Sofitel wacht mij een gezapige discussie over vrouwen in de media, en een trofee. Aan mij uitgereikt door de minister die ons heeft uitgenodigd. Een gouden veer, met inscriptie: „Les Journalistes Marocaines du Monde à l’honneur.” Ongepast, en ongemakkelijk. Maar ik heb er inmiddels een passende locatie voor gevonden. Hij staat vast goed op het bureau van de correspondent uit Rabat.