Shafiyah’s vader werd geëxecuteerd door Nederlandse militairen: krijgt zij nu geld?

Ze brandden dorpen plat, executeerden de mannen: zo gingen Nederlandse militairen onder leiding van Raymond Westerling in 1947 tekeer in het zuiden van Sulawesi. Vandaag beslist de rechter in Den Haag of kinderen van de slachtoffers een schadevergoeding krijgen.

Alsof het een oude schat is, zo voorzichtig peutert Shafiyah Paturusi aan de touwtjes die haar foto-album dichthouden. Als ze het openslaat, schieten miertjes over de pagina’s de rugband in. „Ik kijk vaak naar deze foto’s. Hoe ouder ik word, hoe vaker ik kijk”, zegt de 82-jarige Shafiyah. Met een tere hand wrijft ze over een foto van een norse, trots kijkende man met golvend zwart haar in een net jasje. „Genomen in 1939. Zo droef. Ach jongen, neem nog een stuk kokostaart. Zo lekker.”

Shafiyah Paturusi heeft geen slecht leven achter de rug. Ze geniet aanzien in Bulukumba, een streng islamitisch provinciestadje in het zuiden van Sulawesi. Ze zat drie termijnen in het relatief machteloze lokale parlement, tijdens de heerschappij van de Indonesische autocraat Soeharto. Ze is godsdienstlerares geweest en ging in 2000 op pelgrimstocht naar Mekka, wat in Indonesië de status flink verhoogt. Haar stiefzoon bestiert een koffiehuis aan de Soekarnostraat in het centrum van Bulukumba, waar de mannen van het dorp iedere ochtend, middag en avond langskomen voor een kopje koffie met vijf scheppen suiker, zes sigaretten en al het nieuws van de dag.

Nu zoekt Shafiyah, in haar donkerpaarse jurk met vlindertjesmotief, officieel erkenning als slachtoffer. Vandaag besluit de rechtbank in Den Haag of Shafiyah en vier andere bejaarde kinderen van slachtoffers van de Nederlandse politionele acties recht hebben op een schadevergoeding.

Speciale eenheid

Toen Shafiyah twaalf was, in 1947, zag ze haar vader voor het laatst. Op een avond vluchtte hij de bossen in. „Wij voelden ons schuldig, want wij hadden hem geen schone kleren meegegeven”, zegt Shafiyah bijna zeventig jaar later. In de bossen moest haar vader veilig zijn voor de troepen van de speciale eenheid van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger die op Sulawesi – toen nog Celebes – de hardnekkige Indonesische onafhankelijkheidsbeweging moest neerslaan. Onder leiding van kapitein Raymond Westerling mochten de militairen van het Depot Speciale Troepen doen wat nodig was, ook al betekende dat dorpen in brand steken, plunderen en iedereen die er uitzag als pemuda – strijder – executeren. Shafiyah: „Ben jij pemuda? vroegen ze. Nee tuan (meneer), zeiden onze mannen. En dan werden ze toch gearresteerd en vermoord.”

Dat gebeurde ook met de vader van Shafiyah. „De soldaten zeiden dat de mannen in het bos vrije doorgang kregen naar de stad. Ze hoefden niet te vrezen. Toen ze hun schuilplaats verlieten, werden ze gearresteerd. Twee weken later werd mijn vader doodgeschoten”, zegt ze. „Dat leed draag ik mijn hele leven met mij mee.”

Zestig jaar lang deed Shafiyah niks met de dood van haar vader. „Tot meneer Jeffry langskwam.” Jeffry Pondaag, in Indonesië geboren en in de jaren zestig naar Nederland verhuisd, is al jaren de drijvende kracht achter het Comité Nederlandse Ereschulden, de stichting die wreedheden tijdens de onafhankelijkheidsstrijd tussen Indonesië en Nederland onderzoekt. Samen met advocaat Liesbeth Zegveld verzamelt Pondaag bewijs en brengt hij zaken voor de Nederlandse rechter.

Met succes. Door de inzet van Pondaag en Zegveld ontvingen weduwen van de slachtoffers van de massamoord in het dorp Rawagede op Java in 2011 excuses van de Nederlandse ambassadeur Tjeerd de Zwaan en een schadevergoeding van 20.000 euro per persoon. In 2013, na lange onderhandelingen en een rechtszaak, keerde de staat ook 20.000 euro schadevergoeding uit aan de weduwen van geëxecuteerden in Zuid-Sulawesi.

Oneerlijk

Het zorgde voor scheve verhoudingen in Bulukumba. „Ik heb gezien hoe mijn vader voor mijn ogen werd doodgeschoten. Waarom heb ik dan minder geleden dan een weduwe?”, zei de 76-jarige Abdul Halik in 2013 tegen deze krant. Nu verwoordt Shafiyah Paturusi het als volgt. „Een weduwe heeft een paar jaar langer van haar man kunnen genieten dan ik, als kind, van mijn vader. Dat is oneerlijk. Je kunt zeggen dat wij meer geleden hebben.”

Krijgen zij gelijk? Abdul Halik, Shafiyah Paturusi en enkele andere bejaarde kinderen reisden in augustus 2013 naar Den Haag om te getuigen in een nieuwe zaak. De Indonesische delegatie op leeftijd was diep onder de indruk van Nederland, waar automobilisten wél voor een zebrapad stoppen en waar het lang niet zo koud was als ze hadden gevreesd.

Op de koffietafel waar het familiealbum van Shafiyah rust, staat een klein Delfts Blauw-beeldje van een windmolen. De uitspraak van vandaag leidt tot geen enkele commotie in Bulukumba. De kwaliteit van de gefrituurde kip van de gloednieuwe KFC – een novum voor het afgelegen stadje – is bij de koffiedrinkende bezoeker van Shafiyah’s familiecafé een belangrijker onderwerp van gesprek. Maar Shafiyah zal vandaag naast haar paarse mobiele telefoon zitten. Als de rechter haar verzoek afwijst, zal ze diep teleurgesteld zijn. „Ik zal dan nog vaker aan het verleden denken, aan mijn vader, aan het onrecht.” Als ze wel in aanmerking komt voor 20.000 euro schadevergoeding, zal ze eens goed nadenken. „Ik wil reizen. Maar denk je dat ik van dat geld én nog een keer naar Mekka kan, maar ook nog een reis naar Nederland kan betalen? Wat een land.”