Schoner, maar zeker niet schoon

De internationale wielerunie UCI heeft jarenlang de ogen gesloten voor overtredingen van de eigen dopingregels. En de sport is schoner, maar er is nog altijd een dopingcultuur in het wielrennen. Dat zijn de belangrijkste conclusies uit een onderzoeksrapport dat gisteren werd gepubliceerd.

Wielrenner Denis Mentsjov moet na een Touretappe in 2008 een plasje doen voor een dopingcontrole. Foto VALERIE KUYPERS/ANP

De internationale wielerunie UCI heeft tot een paar jaar geleden vakkundig de andere kant op gekeken als het over doping ging. Betrapte renners en grote dopingschandalen werden gezien als schadelijk voor de sport en dus bleef de bond liever onwetend. Tegenwoordig is de aanpak strenger, maar schoon is de wielersport nog niet.

Het is in drie zinnen de conclusie van een groot onderzoek naar de bestrijding van doping door de UCI. De resultaten daarvan werden gisteren openbaar, in de vorm van een 227-pagina’s tellend rapport. Het document is geschreven door de CIRC, een driekoppige, onafhankelijke commissie binnen de bond.

De onderzoekers hadden meer dan een jaar nodig om de problemen bij de bond en in de sport in kaart te brengen. Ze spraken met 174 mensen: (oud-)renners en ploegleiders, sponsors, wedstrijdorganisaties, artsen en bestuurders van de UCI zelf. Die gesprekken hebben geresulteerd in een omvangrijke lijst met problemen, zowel bij de UCI als in de sport. Onder anderen oud-voorzitter Hein Verbruggen komt er in het onderzoek slecht vanaf. Enkele belangrijke en opvallende bevindingen.

Een cultuur van wegkijken

Tot pakweg 25 jaar geleden was wielrennen een typisch West-Europese aangelegenheid. Daar moest verandering in komen, zo besloten de UCI en voorzitter Verbruggen. Een mondiale sport met wedstrijden in exotische uithoeken en live-uitzendingen over de hele wereld, dat werd het streven.

Er was alleen één probleem: dopingschandalen zijn niet goed voor de kijkcijfers. Dus een ‘heksenjacht’ op valsspelers was geen optie, ook al wist Verbruggen bij zijn aantreden in 1991 al dat de sport doordrongen was van dopingzondaars. In plaats van het wielrennen werkelijk op te schonen, besloot de UCI te doen alsóf. Daarbij zijn in de loop der jaren eigen regels omzeild, stellen de onderzoekers. Zo werden dopingcontroles van tevoren aangekondigd en lieten de controleurs renners tijdens het doen van hun plasje alleen, waardoor fraude met de tests vrij makkelijk werd. Toprenners kregen een beschermde status en klokkenluiders werden publiekelijk weggezet als leugenaars.

De almachtige voorzitter

Terwijl Armstrong in de jaren na de eeuwwisseling heerste op de weg, kende de wielersport in de bestuurskamers eveneens een autocratisch leider: de Nederlander Hein Verbruggen. Wat Verbruggen wilde, dat gebeurde, zo stellen de betrokkenen. En wie daar kritiek op had, werd aan de kant geschoven.

Als voorbeeld wordt Daniel Baal genoemd, vicevoorzitter van de UCI en door velen gezien als de enige geschikte opvolger voor Verbruggen. Baal toonde zich rond de eeuwwisseling een voorstander van een actievere dopingaanpak. Verbruggen besloot de Fransman kort daarop uit zijn functie te zetten.

In 2005 vertrok de UCI-president alsnog, na veertien jaar in functie. Zijn opvolger werd de Ier Pat McQuaid, een vertrouweling van Verbruggen. Bij zijn verkiezing heeft McQuaid volgens de onderzoekers „aanzienlijke voordelen en andere steun” gekregen van de Nederlander.

Corruptie of niet?

Tot twee keer toe ontving de UCI een forse donatie van Armstrong, volgens critici in ruil voor het wegmoffelen van positieve dopingtesten. De eerste – zo’n 23.000 euro – werd in mei 2002 overgemaakt. Het gerucht ging dat Armstrong – als oud-kankerpatiënt en niet-Europeaan de ideale superster voor Verbruggen – een jaar eerder betrapt was op doping.

Begin 2007 maakte de Amerikaan nogmaals geld over naar de UCI, ditmaal omgerekend 92.000 euro. Anderhalf jaar eerder was Armstrong door de Franse krant L’Équipe beschuldigd van doping in de Tour van 1999, de eerste die hij won. De UCI had daarop een onderzoek ingesteld. Het geld was bedoeld om dat onderzoek te beïnvloeden, aldus criticasters. Voor een dergelijke vorm van corruptie is volgens de onderzoekers geen bewijs. Maar dat wil niet zeggen dat het onderzoek naar Armstrong correct is uitgevoerd. In het rapport staat dat „de UCI, samen met de ploeg van Armstrong, directe en stevige invloed had op de inhoud van het rapport” en „het voornaamste doel was om te verzekeren dat het rapport de persoonlijke conclusies van de UCI en Armstrong bevatte”.

Het besef en de ommekeer

Niet lang na het aftreden van Verbruggen koos de UCI alsnog voor een actiever dopingbeleid, simpelweg omdat wegkijken in het najaar van 2006 niet langer een optie was. Kort daarvoor had de Spaanse politie namelijk een laboratorium ontdekt, met daarin bloedzakken van meer dan tweehonderd sporters. Onder hen tal van toprenners, zo ging het gerucht.

Amper twee maanden later volgde een nieuwe klap, toen Tourwinnaar Floyd Landis werd betrapt op het gebruik van testosteron: zijn Tourzege werd afgepakt. Voor de Duitse tv waren de schandalen aanleiding om te stoppen met het uitzenden van de Tour. Bij de UCI drong toen het besef door dat alleen een hardere dopingaanpak de wielersport nog kon redden. In korte tijd werden verschillende maatregelen genomen, zoals het invoeren van dopingcontroles buiten wedstrijden om en de introductie van het biologische paspoort. Volgens de onderzoekers hebben al die maatregelen „het gedrag van wielrenners aanzienlijk veranderd”.

Doping nieuwe stijl

Hoewel het wielrennen volgens veel betrokkenen sindsdien aanmerkelijk schoner is geworden, wordt er nog steeds doping gebruikt. Anders dan in de tijd van Armstrong, toen het gebruik vanuit de ploeg werd georganiseerd, doen renners het nu zelf met partijen buiten het team. De grootste zorg is volgens de onderzoekers het zogenaamde micro-doseren, waarbij renners ’s avonds kleine hoeveelheden doping nemen waardoor de bloedwaarden niet te veel afwijken. Als de controleur dan op de stoep staat, hoeven ze niet te vrezen om gepakt te worden.