Roomservice

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

De kinderen ruziën bij het ontbijt, de katten hebben gezamenlijk een muis onthoofd en de hond heeft op het kleed gepoept. De verleiding is groot om de deur achter me dicht te trekken en in te checken in een luxueus hotel. Vele auteurs schreven immers hun beste werk in de aangename combinatie van anonimiteit en comfort van een hotelkamer.

Thomas Mann begon De toverberg in het Waldhotel in Davos. Nabokov huisde zijn laatste jaren in het Montreux Palace Hotel, dicht bij de alpenweides met zijn geliefde vlinders. Dorothy Parker voerde het hoogste woord aan de ronde tafel in het Algonquin hotel in New York. En in dezelfde stad kan het befaamde Chelsea onder zijn talloze beroemde gasten de schrijvers Mark Twain, Dylan Thomas, Arthur Miller, Tennessee Williams, Jack Kerouac en Gore Vidal rekenen.

Het equivalent in Los Angeles is het hotel Chateau Marmont op Sunset Boulevard, de ultieme Hollywood-hangplek en vaste stek voor onder andere F. Scott Fitzgerald, Hunter S. Thompson en Jay McInerney. Voor A.M. Homes, die vanavond in Princeton te gast is, was het de inspiratie om haar boek Los Angeles te schrijven. Over de magische aantrekkingskracht van dit sprookjesachtige hotel schreef ze: „Als de avond is gevallen, luister je naar rokerige jazz en zink je weg in het afrodisiacum van de diepe banken. Je neemt je geliefde mee op reis in de lift. In de nacht komt iedereen naar dit hotel, voor de parade van pracht en praal, voor een martini, voor de sexappeal, voor de perfecte deal. Stout of aardig, iedereen is je liefje. De bar is de hangplek voor de buitenlandse correspondent die je geworden bent. Alle gasten zijn insiders. Je bent op verlof van je vertrouwde leven.”

Verlof van mijn vertrouwde leven, kijk, dat is precies wat ik vandaag nodig heb! Een eenkameruniversum met roomservice en iedere avond een chocolaatje op mijn kussen.

Hoewel. Tijdens het diner vertelt A.M. Homes over haar recente belevenissen. Toen zij met haar elfjarige dochter, hamsters, parkieten, twee honden en een nieuwe liefde uit Californië naar haar appartement in New York terugkeerde, werd opeens iedereen ziek. De voorheen gezonde dochter kreeg zware astma-aanvallen en de parkiet waar ook nooit wat mee mis was spuugde aan de lopende band. Schimmel, bleek bij inspectie. En asbest. Onmiddellijk moesten ze het huis verlaten. Maar waarheen? Het Mercer Hotel in de artiestenwijk Soho bood uitkomst. Ze beschrijft haar nieuwe leven in ballingschap.

„We zijn in een absurdistisch verhaal terechtgekomen. Onze nieuwe huiskamer is de altijd overvolle hotelbar, waar we ontbijten, lunchen en avondeten. Een absolute ramp. Privacy vind ik alleen in de badkuip, volgeladen met kussens, met een deken over mijn hoofd. De hond slaapt op de wegzakbank.

„Het werd nog benarder tijdens de Fashion Week. De prijzen schoten omhoog en we moesten naar een kleinere kamer verhuizen. Die van ons was namelijk geboekt door Choupette, de kat van Karl Lagerfeld.”

Ze krijgt een hoestbui tot de tranen over haar wangen lopen en gaat dan verder: „Toen ik na weer een geradbraakte nacht met mijn twee honden en mijn parkiet in kamerjas, slippers, slaapkamerhaar en een enorm ochtendhumeur door de lobby liep, werd ik door de fashionistas met hun designertassen, bontjassen en zorgvuldig gestileerde kapsels nagestaard. Was ik een ontspoorde gek of het statement van ultieme cool?”

Als ik ’s avonds mijn eigen bed in duik – zonder chocolademuntje op m’n kussen, maar wel met een onhandige zoen van een puberzoon – is de romantiek van het schrijvershotel ineens ver weg.