Pijnlijke nederlaag voor Rutte

Het aftreden van twee VVD-bewindslieden op het ministerie van Veiligheid en Justitie is pijnlijk voor hun partijleider, premier Rutte, en niet alleen omdat dit zich in verkiezingstijd voltrekt. Rutte bleef tot het laatste moment zijn vertrouwen uitspreken in minister Opstelten. Zaterdag nog, zei hij in het Algemeen Dagblad dat Opstelten „behoort tot de beste mensen die we hebben”. Een dag eerder, op zijn wekelijkse persconferentie, liet hij weten er het volste vertrouwen in te hebben dat Opstelten deze week nog minister zou zijn.

Rutte heeft zich vergist, en niet voor het eerst. Eerder sprak hij zijn steun uit voor het inmiddels opgestapte Tweede Kamerlid Verheijen, ook een partijgenoot. Berichten over diens declaratiegedrag als gedeputeerde noemde hij „opgeblazen”, een reactie waarvan hij later spijt kreeg toen de integriteitscommissie van de VVD tot de conclusie kwam dat Verheijen zijn functie diende neer te leggen.

Het zijn momenten waarop het premierschap en het partijleiderschap van Rutte elkaar in de weg zitten. Terwijl hij anders uitstekend in staat is om terughoudend of nietszeggend te reageren op actuele ontwikkelingen, als hem dat nuttig of wijs lijkt.

Evenmin verdient de wijze waarop Opstelten en staatssecretaris Teeven aftraden, waardering. Zij hielden het gisteren bij korte mondelinge verklaringen tegenover journalisten, die geen vragen konden stellen. Het ontslag werd bij de koning ingediend, die dit met de standaardformulering „op de meest eervolle wijze” verleende.

Eervoller zou het zijn geweest als de bewindslieden hun ontslag in de Tweede Kamer vandaag hadden verantwoord en zo de parlementariërs in staat hadden gesteld de zaak nader met henzelf te bespreken. Nu bleef het bij een op zichzelf correcte verklaring van de minister en een verbitterd optreden van de staatssecretaris. Het is in Nederland een slechte gewoonte geworden dat bewindslieden bij hun vertrek de achterdeur opzoeken; het zou zoveel chiquer en meer passend bij een parlementaire democratie zijn als ministers en staatssecretarissen tegenover de volksvertegenwoordiging hun aftreden toelichten. Maar velen gingen Opstelten en Teeven op hun route naar de achteruitgang voor, om de publieke confrontatie met de Tweede Kamer te vermijden.

Het vroegtijdige vertrek van Opstelten en Teeven, die beiden ook deel uitmaakten van het vorige kabinet, is een nederlaag voor het zwaarbelaste ministerie van Justitie en Veiligheid. Zeker het opstappen van Opstelten is mede een gevolg van een falend ambtenarenkorps, bij het departement en/of het Openbaar Ministerie. Ook dat hoort intern niet zonder gevolgen te blijven.