Komedie spoelt tragedie weg in Lanoyes ‘Koningin Lear’

Frieda Pittors al Koningin Lear Foto Jan Versweyveld

„Wie houdt het meest van mij, je moeder? Hij die met het vuur van zijn betoog de gloed nog overtroeft die de natuur verlangt, krijgt ook de duurste van de portefeuilles.” Op verzoek van regisseur Eric de Vroedt en Toneelgroep Amsterdam bewerkte schrijver Tom Lanoye King Lear van Shakespeare tot Koningin Lear. Lanoye trok het stuk ook naar het heden. De koning die zijn rijk onder zijn drie dochters wil verdelen, werd Elisabeth Lear, hoofd van een internationaal conglomeraat aan bedrijven, die haar bezit op haar oude dag aan haar drie zonen schenkt.

Maar er is meer veranderd dan goed is voor dit stuk. Bij Lanoye en De Vroedt is deze tragedie meer een komedie. De start is zelfs kluchtig. De ene zoon, Gregory, komt binnen als een zonnebankbruine proleet in rood pak met blonde bimbo; de ander, Hendrik, is een stijve saaie piet in coltrui, met ijzig tutvrouwtje, en de derde, Cornald, is de sombere wereldverbeteraar in wintertrui. Ook in hun optreden zijn het types.

Moeder Lear heeft een bizarre eis. Ze vraagt haar zonen hun liefde voor haar te verwoorden en zo hun erfenis te verdienen. Gregory en Hendrik huichelen er vurig op los, aangemoedigd door hun eega’s. Cornald weigert botweg. Ongevoeliger dan Cornelia bij Shakespeare, die ook haar onmacht om haar liefde in woorden te vangen uitdrukt: „Optillen kan ik mijn hart niet tot mijn mond”, zegt ze (in de vertaling van Gerrit Komrij uit 1990).

Bij gebrek aan sympathie voor Cornald komt moeders besluit om hem te onterven onvoldoende onrechtvaardig over. Dat is een probleem voor de spanning en diepgang in het vervolg. De toeschouwer moet de wens ontwikkelen dat Lear inziet een smartelijke vergissing te hebben begaan. Dat gebeurt nu niet.

Meevoelen is een probleem bij deze onevenwichtige productie. Geestige momenten zijn er te over, vooral dankzij het voortreffelijke spel van routiniers Roeland Fernhout en Janni Goslinga als de twee parvenu’s. Maar de komedie spoelt de tragiek weg. Elisabeth Lear is van quitte af aan een gekkie. Het maakt het moeilijk haar serieus te nemen als een vrouw in een toppositie. De droefheid van de ouderdom krijgt geen plaats. Al haar emoties lossen op in de nevelen van haar verwarring.

Binnen die beperking speelt Frieda Pittoors grandioos – al is het jammer dat ze op de première de eerste scènes stijfjes inzette en steun zocht bij tekstvellen. Ze schakelt zichzelf naar believen aan en uit, aanwezig en afwezig, ernstig en weer de idioot, en dan gaat haar stem gemeen krassend de hoogte in. Met haar afhangende mond oogt ze vervaarlijk als ze zwijgt: een sfinx, de heerser die ze moet zijn. Mooi is de scène waarin ze haar jonge verzorger verleidt: brutaal zoenend, zich verontschuldigend, „Laat je toch eens gaan” kirrend, om uiteindelijk snuivend haar gezicht in zijn borst te begraven.