Toeval bant Sven het liefst uit

Zevenvoudig wereldkampioen is kritisch op zichzelf en op anderen, zoals op de ijsmeester.

Sven Kramer na de afsluitende 10 kilometer, die hem de wereldtitel allround opleverde.

Een woeste brul en een hartgrondige vloek: Sven Kramer glijdt na zijn 1.500 meter over de finish. Was hém dat overkomen, op de sleutelafstand van een WK allround? Dat hij bij de eerste de beste wissel in de penarie zit, tegen zijn grootste concurrent nog wel, Denis Joeskov. Andere schaatsers lacht hij altijd uit, als hun zoiets overkomt.

Het is precies waarom Kramer gisteren voor de zevende keer wereldkampioen allround werd, twee maanden na zijn zevende Europese allroundtitel in Tsjeljabinsk: Kramer maakt zelden fouten. Het overkomt hem niet of blijft onopgemerkt: een valse start, een slechte dag, materiaalpech, een misslag, griep, zenuwen, een rotloting of een bezoek van de man met de hamer. En als hij een foutje maakt, zoals op een zondagochtend in Calgary, dan beperkt hij de schade tot een minimum. Dat is geen toeval – het is hoe hij in het leven staat. Kramer gaat namelijk winnen. „Wat mij het meest opvalt is dat Sven zo ontzettend professioneel is, hij laat niks aan het toeval over”, zegt Jac Orie, die de 28-jarige Fries nu een klein jaar onder zijn hoede kreeg. „Het druipt er aan alle kanten af.”

Het vergroot alleen maar het raadsel rond die ene wissel, in Vancouver (2010). Als allrounder is zijn staat van dienst vlekkeloos. Sinds zijn doorbraak in 2007 won Kramer alle veertien EK’s en WK’s waaraan hij meedeed, alle veertien 5 kilometers, alle veertien 10 kilometers. Nooit plantte hij een keer de punt van zijn schaats in het ijs, zoals de wereldkampioen van vorig jaar zaterdag overkwam, Koen Verweij. Diens val toonde pijnlijk aan hoe snel een foutje is gemaakt. Zijn WK was na precies dertig meter voorbij.

Natuurlijk, de concurrentie is niet groot onder de allrounders, met minder dan een handvol uitdagers uit Nederland, Rusland en Noorwegen. Kramer is daar overigens zelf mede verantwoordelijk voor: een concurrent als Shani Davis koos jaren geleden al voor andere specialismen, omdat er in het tijdperk-Kramer niks meer valt te halen.

Maar ook de beste aller tijden kent zwakheden, al is dat zelden zichtbaar. Kramer had de beroerdste seizoensstart in jaren, met twee operaties aan zijn luchtwegen die hem maanden kostten. „Mijn voorbereiding was slecht”, zei hij gisteren op de Olympic Oval. „En ik ben vlak voor het WK hard gevallen, dat is niet fijn. Ik heb dit seizoen met een minimale voorbereiding het maximale resultaat gehaald, als je naar de uitslagen kijkt. ”

Die smalle basis noopte hem tot strenge keuzes. Maar de selectie die hij maakte was een schot in de roos. Van Jillert Anema, coach van concurrent Jorrit Bergsma, kreeg hij vorige maand kritiek omdat hij niet meedeed aan de 10 kilometer op de WK afstanden in Heerenveen. „Je kunt jezelf ook overschatten”, verdedigt Kramer zich. „Dat heb ik gedaan bij de NK afstanden aan het begin van het seizoen, waar ik alles reed.” Op ‘zijn’ 10 kilometer eindigde hij daar op een voor hem onwaardige negende plaats. Verkeerde keuze, dus.

Liever telt Kramer zijn zegeningen, in zijn eerste jaar onder Orie. Met een grijns: „Vier jaar geleden heb ik een heel seizoen niet gereden na de Spelen [Vancouver, 2010]. Dus wat dat betreft sta ik al 25 procent voor.”

Maar perfect is het nooit. Het moet altijd beter. Vandaar die woede-uitbarsting na de 1.500 meter. „Ik roep altijd dat je zo’n wissel kunt zien aankomen. Dat zag ik ook wel, maar Joeskov wachtte op mij, misschien hoopte hij dat ik mezelf zou diskwalificeren. Had ik misschien ook gedaan, dat hoort erbij. Maar er had meer in gezeten. Mijn topsnelheid in de eerste ronde lag hoger dan die van Joeskov. Dan moet ik in zijn bereik kunnen komen.”

Beter worden, Joeskov achterhalen op de 1.500 meter. Een geweldige uitdaging voor het komend seizoen, in de ogen van Orie. En haalbaar. Kramer trekt het liever breder: „Alle afstanden moeten een beetje harder, van de 500 meter tot de 10 kilometer. Maar met de smalle basis die ik afgelopen zomer had is het moeilijk om meteen alles te verbeteren. Dus ik zie nog veel perspectief.”

Maar aan het ‘wonderijs’ van Calgary waren toptijden afgelopen weekeinde nauwelijks besteed. Waar de internationale schaatswereld reikhalzend uitkeek naar spetterende wereldrecords van Kramer of Joeskov, bleef de teller op nul.

Kramer deed na afloop geen enkele moeite de ijsmeester van de Olympic Oval te sparen. „De omstandigheden waren hier gewoon zo slecht. Ik ben blij dat het erop zit. Ze hebben het geluk dat deze ijsbaan op 1.100 meter ligt. Door de lage luchtdruk wordt hier hard gereden, maar ijs maken kunnen ze echt niet. Veel te zacht. We hebben de temperatuur van het ijs hier elke dag gemeten. We kwamen steeds tot een verschil van 4 graden met hun metingen. Als je dit ijs maakt in Thialf komt er nooit meer een baanrecord.”

Kritisch op zichzelf, maar ook op anderen. Zakelijk. Zoals hij vanaf een bankje op het middenterrein toekijkt hoe bij uitdager Joeskov langzaam het licht in de ogen dooft op de afsluitende 10 kilometer. Kramer vertrekt geen spier op het moment dat de Rus hem niet meer kan inhalen. Geen gebalde vuist, geen lachje, geen high fives met een juichende assistent-coach. Gewoon de volgende titel voor de CEO van het allroundschaatsen. Zoals iedereen eigenlijk al van tevoren wist.

Ook al heeft hij het record al lang in handen, het zal niet bij zeven wereldtitels blijven. Kramer is van plan nog drie WK’s allround te rijden, tot en met het jubileumtoernooi van 2018, de 125ste editie, die net als in 1889 in Amsterdam moet worden gereden. Als hij geen foutjes maakt, geblesseerd raakt of zich van de wijs laat brengen kan hij zijn carrière met tien wereldtitels afsluiten. Er zijn maar weinig schaatskenners die hun geld tot die tijd op een andere rijder zullen zetten.