Pietjes in het haar

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Lang niet gehoord, het woord pietjes, althans niet in de betekenis ‘hoofdluis’. Maar vorige week was het Landelijke Luizendag, en als gevolg daarvan ging het op radio en tv opeens geregeld over pieten of pietjes in het haar. Volgens de Grote Van Dale is piet in de betekenis ‘luis’ ontstaan door associatie „met de persoonsnaam Piet”. Maar volgens hetzelfde naslagwerk is pietje voor ‘luis’ ontleend aan de „zigeunertaal”.

Waarom de naam Piet geassocieerd zou worden met een luis is mij niet duidelijk, dus die tweede verklaring lijkt mij aannemelijker. In het Bargoens, de taal van de dieven, werden luizen ook wel pioten genoemd. Dat woord is in 1731 voor het eerst opgetekend, in de vorm pieoot. Het komt enigszins, zij het vagelijk, in de buurt van pishóm, het Roma-woord voor ‘luizen’.

De meeste basisschoolkinderen hebben hoofdluis, dus je hoeft je er niet voor te schamen, benadrukte men op de Landelijke Luizendag, maar dat neemt niet weg dat luizen van oudsher worden geassocieerd met vuil en armoede.

Dat zie je duidelijk terug in de vele uitdrukkingen waarin luizen voorkomen. Een kleine greep: zo kaal als een luis (betekenis: ‘heel erg arm’), hij heeft geen luis om dood te drukken (‘hij is zeer arm, er is niets meer bij hem te halen’) en hij is uit de luizen (‘uit een netelige toestand gered’). Netelig kun je hier ook letterlijk nemen.

Luis is ook lang als scheldwoord gebruikt, vooral voor ‘agent’, samen met piot en pioot.

Journalisten presenteren zich graag als luizen in de pels, als kriebelende controleurs die machthebbers dicht op de huid zitten. Deze erenaam gaat uiteindelijk terug op een uitdrukking die al in 1611 is opgetekend, namelijk: zet geen luys inde pels, zy comter tyts genoech van selfs in. Lees: je hoeft geen luizen in iemands kleren te zetten, die komen er gauw genoeg vanzelf in. De betekenis was: ‘vergroot het ongeluk maar niet, zo is het al erg genoeg’.

Tegenwoordig hebben wij luizenmoeders, een woord dat in 1988 voor het eerst is opgetekend. Daarvoor werd er natuurlijk ook al druk gekamd, waarbij men gebruikmaakte van een zogenoemde pietenkam.

Voordat er op scholen door luizenmoeders werd gekamd, werd dit in sommige arme stadswijken gedaan door zogenoemde pietenzusters. Een fraaie beschrijving van zo’n pietenzuster is te vinden in het boekje Op school in de Jordaan (1988), waarin een onderwijzer herinneringen ophaalt aan zijn school in de Jordaan kort na de Tweede Wereldoorlog.

‘Als er één persoon was, waar iedereen ontzag voor had, zelfs de jongens’, schrijft hij, ‘was het wel de pietenzuster. Het was een klein, kittig vrouwtje in zusterscostuum. De zuster nam op een stoel plaats voor de klas en om de beurt, moest ieder bij haar komen. Het ging als een lopend vuurtje door de klas als een meisje wat langer geknield moest blijven zitten. Dan werd de spuitbus er bij gehaald en in weinige minuten heerste er een ondragelijke stank in de klas.’

Kinderen bij wie luizen werden aangetroffen kregen een briefje mee naar huis, met de aanmaning om beter te kammen. In de Jordaan werd dit een pietenbriefje genoemd.

    • Ewoud Sanders