‘Onze mars is nog niet voorbij’

Sinds het stemrecht voor zwarten is er veel verbeterd, zegt de president. Maar er moet nog meer gebeuren. Dit is een samenvatting van zijn toespraak in Selma.

Het is een zeldzame eer in het leven om een van je helden te volgen. En John Lewis [1] is een van mijn helden. Maar ik stel me zo voor dat de jonge John Lewis, toen hij op die ochtend vijftig jaar geleden wakker werd, niet met zijn gedachten bij heldendaden was. Niet met zijn gedachten bij een dag als deze was. Jonge mensen sjouwden rond met slaapzakken en rugzakken. Oudgedienden van de burgerrechtenbeweging trainden nieuwelingen in de tactiek van de geweldloosheid – de juiste manier om je te beschermen als je werd aangevallen. Een arts beschreef wat traangas met het lichaam doet en betogers schreven op hoe hun dierbaren konden worden bereikt. De lucht was zwanger van twijfel, gespannen verwachting en angst. Ze troostten zich met het laatste vers van de laatste hymne die ze zongen:

No matter what may be the test, God will take care of you; / Lean, weary one, upon His breast, God will take care of you.

Daarna, met in zijn rugzak een appel, een tandenborstel en een boek over politiek bestuur – alles wat je nodig hebt voor een nacht achter de tralies – leidde John Lewis hen de kerk uit op een missie Amerika te veranderen. (...)

De mars vanuit Selma [2] was onderdeel van een bredere campagne, die generaties besloeg. De leiders van die dag behoorden tot een lange rij helden.

We zijn hier bijeen om hen te gedenken. We zijn hier bijeen om de moed te eren van gewone Amerikanen die bereid zijn gummiknuppels en wapenstokken, traangas en trappelende hoeven te verduren. Mannen en vrouwen die ondanks het gutsende bloed en de verbrijzelde botten hun kompas blijven volgen en hun mars naar de gerechtigheid voortzetten.

Ze volgden de aanwijzingen van de bijbel: ‘Verblijdt u in de hoop, zijt geduldig in de verdrukking, volhardt in het gebed.’ En in de dagen erna gingen ze telkens weer terug. Als het trompetsignaal klonk, sloten zich nog meer mensen aan – zwart en blank, jong en oud, christen en jood – die zwaaiden met de Amerikaanse vlag en dezelfde liederen vol geloof en hoop zongen. Een blanke verslaggever, Bill Plante, die destijds over de marsen berichtte en hier vandaag in ons midden is, grapte dat door het groeiende aantal blanken de kwaliteit van het gezang achteruitging. Maar voor de deelnemers aan de marsen moeten die oude gospelsongs nog nooit zo mooi hebben geklonken. Uiteindelijk zou hun gezang tot president Johnson [3] doordringen. En hij zou hun bescherming sturen, in antwoord op hun oproep aan het land en de wereld:

We shall overcome. (...)

De Amerikaanse drang waardoor deze jonge mannen en vrouwen de fakkel opnamen en deze brug overstaken is dezelfde drang waaruit patriotten de revolutie boven de tirannie verkozen. Het is hetzelfde drang waardoor immigranten de oceanen en de Rio Grande [4] over trokken; dezelfde drang waardoor vrouwen het kiesrecht verlangden en arbeiders zich organiseerden tegen een onrechtvaardige status quo; dezelfde drang waardoor wij een vlag op Iwo Jima [5] en op de maan hebben geplant.

Het is de gedachte die generaties lang is gehuldigd door burgers die vonden dat Amerika voortdurend werk in uitvoering is; die vonden dat liefde voor dit land meer vraagt dan loftuitingen of de verzwijging van ongemakkelijke waarheden. Ze vraagt van tijd tot tijd ontwrichting, de bereidheid om zich uit te spreken voor gerechtigheid en de status quo op te schudden.

Daardoor zijn wij uniek en blijft onze faam als baken van kansen behouden. Jonge mensen achter het IJzeren Gordijn zagen Selma en zouden ten slotte die Muur afbreken. Jonge mensen in Soweto hoorden Bobby Kennedy [6] praten over de rimpelingen van de hoop en wisten uiteindelijk de gesel van de apartheid uit te bannen. Jonge mensen in Birma gingen liever de gevangenis in dan zich te onderwerpen aan het militaire bewind. Van de straten van Tunis tot de Maidan in Oekraïne kan deze generatie jonge mensen kracht putten uit deze plaats, waar de machtelozen ’s werelds grootste supermacht konden veranderen en hun leiders dwongen de grenzen van de vrijheid te verleggen.

Zij zagen die gedachte werkelijkheid worden in Selma, Alabama. Zij zagen haar werkelijkheid worden in Amerika.

Dankzij campagnes als deze werd er een Voting Rights Act aangenomen. Politieke, economische en sociale barrières werden geslecht en de verandering die deze mannen en vrouwen teweegbrachten is inmiddels zichtbaar door de aanwezigheid van zwarte Amerikanen in directiekamers, in rechtbanken, in het bestuur van kleine steden en grote steden; van de Organisatie van Zwarte Congresleden tot het Oval Office.

Dankzij hun toedoen openden zich niet alleen deuren voor Afro-Amerikanen, maar voor elke Amerikaan. Door die deuren marcheerden vrouwen. Door die deuren marcheerden latino’s. Door die deuren kwamen Aziatische Amerikanen, homoseksuele Amerikanen en Amerikanen met een handicap. Dankzij hun inspanningen kreeg het hele Zuiden de kans om zich weer op te richten, niet door vast te houden aan het verleden, maar door het verleden te overstijgen.

‘What a glorious thing’, had Dr. King [7] misschien gezegd. (...)

Deze week nog werd mij gevraagd of ik vond dat het rapport van het ministerie van Justitie over Ferguson [8] uitwijst dat er op rassengebied weinig in dit land is veranderd. Ik begrijp die vraag, want het verhaal dat dit rapport vertelt klonk helaas maar al te bekend. Het deed denken aan het soort mishandeling en minachting van burgers waaruit de burgerrechtenbeweging is ontstaan. Maar ik verwerp de gedachte dat er niets is veranderd. Wat er in Ferguson is gebeurd mag dan niet uniek zijn, maar het is ook niet meer van alle dag of geoorloofd bij wet en gewoonte; en vóór de burgerrechtenbeweging was dat beslist wel het geval. (...)

Wij zijn de immigranten die zich als verstekeling verstopten op schepen op weg naar deze kust, de opeengepakte massa’s die hunkerden om vrij te ademen – Holocaust-overlevenden, Sovjet-overlopers, de verloren jongens van Soedan. Wij zijn de hoopvolle doorzetters die de Rio Grande oversteken omdat ze willen dat hun kinderen een beter leven leren kennen. Zo zijn wij ontstaan.

Wij zijn de slaven die het Witte Huis en de economie van het zuiden hebben opgebouwd. Wij zijn de ranchers en cowboys die het westen hebben geopend, en de talloze arbeiders die spoor hebben aangelegd, wolkenkrabbers hebben opgetrokken en zich hebben georganiseerd ten behoeve van de rechten voor werknemers.

Wij zijn de frisse jonge soldaten die vochten voor de bevrijding van een continent en wij zijn de Tuskegee Airmen [9], de Navajo-codesprekers en de Japanse Amerikanen die voor dit land hebben gevochten, ook al was hun eigen vrijheid hun ontzegd. Wij zijn de brandweerlieden die op 9/11 die gebouwen binnenrenden en de vrijwilligers die dienst namen om in Afghanistan en Irak te vechten.

Wij zijn de homoseksuele Amerikanen wier bloed over de straten van San Francisco en New York liep zoals het bloed langs deze brug liep.

Wij zijn verhalenvertellers, schrijvers, dichters en kunstenaars die gruwen van oneerlijkheid, die walgen van hypocrisie, die de stemlozen een stem geven en die waarheden vertellen die moeten worden verteld.

Wij zijn de uitvinders van gospel en jazz en blues, van bluegrass en country, van hiphop en rock-’n-roll, onze hoogst eigen geluiden met al hun zoete verdriet en zorgeloze vreugde om de vrijheid.

Wij zijn Jackie Robinson [10], die ondanks smalende opmerkingen, spikes en ballen die recht op zijn hoofd afkwamen toch de World Series binnenhaalde (...)

Wij zijn de mensen over wie Emerson [11] schreef, die ‘omwille van waarheid en eer pal staan en langdurig lijden’, die ‘nooit moe zijn, zolang wij ver genoeg kunnen zien’.

Dat is Amerika. Geen afgezaagde standaardfoto’s of opgepoetste geschiedenis, of zwakke pogingen om sommigen van ons als Amerikaanser te definiëren dan anderen. Wij hebben eerbied voor het verleden, maar we verlangen er niet naar terug. Wij zijn niet bang voor de toekomst, we reiken ernaar. Amerika is geen breekbaar voorwerp. (...) Wij zijn onstuimig en verscheiden en vol energie, eeuwig jong van geest. Daarom kon iemand als John Lewis op de rijpe leeftijd van 25 jaar een machtige mars aanvoeren.

En dat moeten de jonge mensen die hier vandaag en in het hele land luisteren van deze dag onthouden. Jullie zijn Amerika. Niet belemmerd door gewoonten en conventies. Onbelast door dat wat is en klaar om te grijpen wat zou moeten zijn. Want overal in dit land zijn eerste stappen te zetten, nieuwe wegen te gaan, bruggen over te steken. En jullie, jong en onbevreesd van hart, de meest diverse en geschoolde generatie uit onze geschiedenis, zijn degenen die het land wil volgen.

Omdat Selma ons laat zien dat Amerika niet het project van één persoon is. Omdat het krachtigste woord in onze democratie het woord ‘Wij’ is. ‘We The People.’ ‘We Shall Overcome.’ ‘Yes We Can.’ Het woord is eigendom van niemand. Het behoort toe aan iedereen. Wat een glorieuze taak is ons toegemeten, om te blijven proberen dit grootse land van ons te verbeteren. Vijftig jaar na Bloody Sunday is onze mars nog niet ten einde. Maar we komen dichterbij. Tweehonderdnegenendertig jaar na de stichting van dit land is onze Unie nog niet volmaakt. Maar we komen dichterbij. (...)