Meer waanzin zoals bij hippies, graag

Ik groeide op tussen ‘rare’ hippies en kijk er met plezier terug, aldus Jannah Loontjens.

Illustratie arcadio esquivel

Vlak nadat we naar Nederland waren verhuisd, werd mijn moeder verliefd op een man die een zaag bij zich droeg. Hij was kunstschilder en claustrofobisch. Als hij op pad ging gaf dit stuk gereedschap, dat hij in krantenpapier gewikkeld meedroeg, hem het gevoel dat hij zich overal uit zou kunnen zagen. Het was misschien wat vreemd, maar ik accepteerde het als een goede oplossing om een angststoornis onder controle te houden. Iedereen kampte wel met een of andere angst. Sommigen waren bang voor hoogtes, anderen voor mensenmassa’s. Ook waren er mensen die dingen vreesden die hen onbekend waren. Deze mensen kozen voor een burgerlijk leven als oplossing, om het vreemde buiten de deur te houden. Dat was pas benauwend, zo kreeg ik mee.

Dit waren de jaren ‘70 en ‘80 en ik groeide op te midden van kunstenaars, hippies en vrijdenkers, die de idealen uitdroegen van vrijheid, blijheid en acceptatie van de ander. In Zweden woonden we in een gebied waar mensen naartoe trokken, die net als wij zonder elektriciteit en stromend water in houten huisjes in het bos woonden, met een moestuin en geiten voor de melk. Nadat mijn moeder mij meenam naar Nederland woonden we in een kraakpand. Dat de idealen van ruimdenkendheid en tolerantie die ik meekreeg niet door iedereen werden gedeeld, merkte ik zodra ik naar school ging.

Op de Zweedse dorpsschool was ik al een buitenstaander, maar mijn status als outsider in Nederland was zo mogelijk nog groter – ja, ziehier de kiem van mijn schrijverschap. Ik observeerde mijn klasgenoten en probeerde te ontdekken wat de regels waren die ervoor zorgden dat je erbij hoorde en wat de gebruiken waren die ik moest afleren om niet voor gek uitgemaakt te worden. Nadat een van mijn klasgenootjes het verhaal rondbazuinde dat ik met mijn moeder in een kraakpand woonde, mochten veel kinderen niet meer met me spelen. Dat ging te ver. Dat was gewoon waanzinnig, zulke outlaws.

School is de plek waar kinderen ontdekken wat anderen normaal en abnormaal vinden. Nu ik tegenwoordig zelf op het schoolplein op mijn kinderen sta te wachten, lijkt de groep van ouders heel wat diverser in vergelijking tot de klonen van moeders in mantelpak zoals ik ze me van vroeger herinner. De emanciperende bewegingen van de jaren zeventig lijken dan ook hun vruchten te hebben afgeworpen. Als in de jaren tachtig een kind van gescheiden ouders nog zielig werd gevonden, zijn nu het eenoudergezin, co-ouderschap of twee ouders van hetzelfde geslacht algemeen geaccepteerd.

Anderzijds zijn er punten waarover gewaakt wordt. Zo moeten de kinderen, ongeacht hun afkomst, vooral Nederlands zijn in hun gebruiken en gewoontes, ze moeten zich goed kunnen concentreren en vooral niet te wild zijn. De maatstaven die we hierbij hanteren, worden grotendeels bepaald door de gewoontes waarmee we zijn opgegroeid. We vinden datgene normaal wat we gewend zijn. Hoe lastig mensen het vinden eigen gewoontes te doorbreken, blijkt uit het wantrouwen tegenover onbekende gebruiken en culturen, maar ook uit de heftigheid waarmee de zwartepietdiscussie wordt gevoerd. Mensen vinden het moeilijk hun eigen gewoontes met de blik van een buitenstaander te bekijken, terwijl juist die blik nodig is om ideeën over normaliteit en waanzin te relativeren, en ook om de ander te kunnen begrijpen.

De idealen van de jaren ‘70 worden nu door velen waanzinnig gevonden. En er is mij vaak gezegd dat ik een abnormale jeugd heb gehad; dat ik me prettig voel bij mensen die niet helemaal sporen en dat ik niet weet hoe een normaal gezin hoort te functioneren. Misschien heb ik wel een abnormale jeugd gehad, maar tegelijk heb ik ook een gezonde jeugd gehad: ik heb uiteenlopende mensen van nabij meegemaakt. Ik zag wel dat sommigen wat onaangepast waren en gniffelde om de vriendin van mijn moeder die in Zweden naakt door de tuin liep, op haar sokken en een parasolletje na. Of om de vrouw bij wie de borsten overliepen van moedermelk en die zich aan de keukentafel door de vriendin van mijn vader liet melken. Of om de man die in zelf gebreide truien sokpoppen zat te knutselen. Dit waren aparte taferelen en ik zag dat de censor van schaamte bij deze mensen niet op dezelfde wijze functioneerde als bij anderen, maar ik leerde ook dit niet te veroordelen.

Ja, we vinden datgene normaal waarmee we zijn opgevoed, zo zal het altijd blijven. Juist daarom is het belangrijk om kinderen een zekere ruimdenkendheid mee te geven. Ook daarom zijn gemengde scholen belangrijk. We leven in een wereld waarin we steeds individualistischer worden en waarin steeds meer gewoontes en gebruiken naast elkaar bestaan. Hierin is gewenning aan het ‘andere’ noodzakelijk. Alleen op die manier kunnen we veroordeling ervan bijsturen. Als kind leerde ik dat tolerantie geen laksheid is, maar een ideaal om het andere en onbekende te kunnen omarmen en proberen te begrijpen. Nu we in een wereld vol verscheidenheid leven, lijkt dit aspect van al die waanzinnige hippie-idealen – die ik toch redelijk goed heb overleefd – aan een flinke revival toe te zijn.