Hé, mijn oksel ruikt opeens zuur

Okselbacteriën van een familielid kunnen je van zweetgeur afhelpen. Dat zegt bio-ingenieur Chris Callewaert, die Doctor Armpit wordt genoemd.

Hij is geen dokter die ziekten geneest. Maar toch, als één persoon de titel Doctor Armpit verdient, is het wel de Gentse bio-ingenieur Chris Callewaert. Dokter Oksel.

Naar eigen zeggen begon het allemaal met een wel heel vreemde ervaring. Op een morgen in 2009 werd hij wakker met een geur die hij niet van zichzelf kende. „Een zurige, stinkende lucht”, vertelt hij op zijn faculteit. „Terwijl ik nooit last van okselgeur had!”

Belangrijk om te melden is dat hij wakker werd in een vreemd bed, van een meisje waar hij nooit eerder bij had geslapen. Nu wist hij toen ook al wel dat een oksel vele bacteriën kan bevatten, aangepast aan huid en kleren. Maar verder had hij geen idee waarom hij ineens die hinderlijke geur had.

Inmiddels weet Chris Callewaert (1986) dat het de Corynebacteriën waren die die nacht de Staphylococcen wisten te overmeesteren, mogelijk met hulp van de bacteriën van het meisje. Tachtig procent van alle okselsoorten behoren tot een van die twee groepen. De Corynes, de ‘foute’ bacteriën, zetten de lipiden, hormonen en aminozuren op onze huid om in onwelriekende verbindingen; de producten van de Staphylococcen, de ‘goede’, blijven reukloos. Eind februari promoveerde hij op deze bacteriegemeenschappen in oksels, kleren en wasmachines.

Hij onderzocht de geuren en bacteriën van meer dan 300 proefpersonen. Na oproepen via sociale media meldden veel van hen zich omdat ze leden onder hun geur. Ze durfden niet dicht bij een ander te komen, of voelden zich onzeker. Verschillende proefpersonen hadden dezelfde ervaringen als Callewaert: ineens waren ze slechter gaan ruiken. Nadat ze in een vuil bed hadden geslapen, stress hadden ondergaan, of de pil of antibiotica waren gaan gebruiken.

In één onderzoek liepen 185 deelnemers drie uur met een aan de okselhuid gekleefd katoenen propje. Een getraind panel van vier mannen en vier vrouwen beoordeelde de geur ervan op intensiteit en (on)aantrekkelijkheid (schaal -8 tot 8). Waarna Callewaert het genetisch materiaal in kaart bracht en bacteriën op kweek zetten om de groepen en soorten te karakteriseren. „Op een gegeven moment begonnen collega’s me Mister Armpit te noemen’, vertelt hij.

DrArmpit.com is nu de naam van zijn site. Die bevat behalve toegankelijk geschreven onderzoeksverslagen ook een forum met ervaringen. Zoals van een jongen van zeventien die zich tevergeefs drie keer per dag wast. En van een vrouw die sinds een operatie aan haar linkerarm, worstelt met de geur van alleen die arm.

„Ik kreeg steeds meer vragen”, vertelt Callewaert in een kamer waar het lekker ruikt naar zoet bacterievoedsel en chemicaliën. „Mensen wilden weten wat uit het onderzoek kwam, en wat ze moesten doen aan die vervelende okselgeur. Die vragen wilde ik beantwoorden. En dan leek me Dokter Armpit wel een goede naam; niemand anders noemde zijn site nog zo.”

Bent u zelf van uw zure zweetlucht af?

„In de zomer van 2011 was ik mijn huis aan het schilderen en daarbij droeg ik een paar dagen hetzelfde, ongewassen verfshirt. In de dagen erna merkte ik dat die zurige geur steeds minder werd. Ik weet nu dat ik ben geholpen door mijn eigen Staphylococcen. Staphylococcen weten namelijk in katoen te overleven; Corynebacteriën niet. Vanuit mijn verfshirt hebben ze dus hun positie weer terug weten te veroveren.”

Het is oorlog onder de oksels?

„Het is zeker oorlog. Staphyloccen produceren voortdurend antimicrobiële eiwitjes en andere componenten om de Corynebacteriën weg te concurreren en het zichzelf en hun vriendjes gemakkelijk te maken.”

Het aantal okselbacteriën loopt in de honderden miljoenen – per vierkante centimeter. Callewaert heeft zelf zo’n honderd verschillende soorten onder zijn oksels. Daarmee is dit ecosysteem diverser dan bijvoorbeeld zijn droge bovenarm, met maar een paar soorten. Maar minder divers dan zijn hand: die kan wel 200 soorten bevatten.

De bio-ingenieur gebruikt geen antitranspirant, anders had hij wellicht een nog rijker ecosysteem gehad. Uit het een maand volgen van negen proefpersonen die afwisselend wel of geen antitranspirant gebruikten, bleek namelijk dat anti-transpirant-gebruik gelijkstaat aan het kweken van okselsoorten. Het hoogst aantal bij een proefpersoon (van een van de andere onderzoeken) was 195, waarschijnlijk een grootverbruiker.

We kunnen de deodoranten en antitranspiranten dus beter laten staan?

‘Deodoranten kunnen geen kwaad, die maskeren alleen de geur. Antitranspiranten, met aluminiumzouten erin, helpen wel tegen okselvijvers omdat ze de zweetproductie blokkeren. Maar tegen lijfgeur raad ik ze niet aan. Wij zagen dat ze vooral veel van de goede bacteriesoort Staphylococcus doden, wat andere soorten stimuleert. Die vergrote diversiteit is niet erg. En de Corynebacteriën krijgen een voordeel. Die zitten namelijk dieper in de huid zoals rond haarwortels, waar de aluminiumzouten niet bij kunnen.”

Om te achterhalen waarom polyester shirts zo vreselijk blijven stinken, liet Chris Callewaert bacteriën op katoen, wol, fleece, nylon en polyester groeien, en verzamelde hij shirts van 26 spinners uit een Gentse sportschool. Wat bleek? De vervelende Corynebacteriën groeien in geen van de onderzochte textielsoorten. Wie die stank veroorzaken zijn de Micrococcen. Die komen onder de oksels en in katoen nauwelijks voor, maar floreren tussen polyester vezels. De goede Staphylococcen groeien in alle textielsoorten. Wat dus ook die wonderbaarlijke terugkeer van Callewaerts eigen Staphylococcen verklaarde.

Dat die ‘eigen’ transplantatie zo goed werkte gaf hem moed het bij anderen te proberen. Callewaert deed dit voor het eerst in 2013, bij een identieke tweeling. Van de broer met niet-geurende oksels schraapte hij het okselzweet, zette dit op een watje, en bracht vervolgens het watje in de schoon gemaakte oksels van de broer met een geurprobleem. Deze laatste bleef ook in de maanden daarna reukloos én een overmaat Staphylococcen houden.

Daarna herhaalde hij dit met 18 proefpersonen. Bij de niet-familieleden werkte het niet – hun Staphylococcen zijn waarschijnlijk te verschillend. Maar bij vijf duo’s van hetzelfde gezin werkte het ten minste een maand, een proefpersoon is er nog steeds vanaf. Callewaert onderzoekt nu hoe hij het effect kan verlengen.