De rommel is nu wel grotendeels weg

De schrijver van het Boekenweekgeschenk kan de verleiding van de muziek niet langer weerstaan. Dimitri Verhulst duikt binnenkort de studio in om een plaat te maken.

Het is lang twijfelachtig geweest of dit interview kon doorgaan. Toen ik mezelf vroeg of ik ergens in mijn agenda nog een gaatje had voor een ikterview kreeg ik te horen: „Ik heb nogal weinig tijd voor mezelf, de laatste tijd. Ik word geleefd, zeg maar. Die hele Boekenweek, die mij ontzettend vereert, daar niet van, maar die ik natuurlijk schromelijk heb onderschat, brengt een modderstroom aan interviews met zich mee. Ik geloof ze de afgelopen maanden allemaal over de vloer te hebben gehad, de kranten, de psychologiemagazines, de damesbladen. En dan hebben ze nog niet eens allemaal mijn woorden afgedrukt. Het tijdschrift Margriet bijvoorbeeld, gebruikt mijn kostbare tijd voor een interview en drukt vervolgens mijn verhaal niet af. Waarom? Omdat ze mijn antwoorden te grof vinden, hun lezeressen zijn niet klaar voor mijn taaltje. Tja. De wellevendheid is niet meer van de tijdschriftenwereld.”

Omdat ik mezelf ken en weet hoe mij te paaien stem ik uiteindelijk toch toe in een ikteverview. „Op één voorwaarde, dat we ons gesprek houden tijdens een partijtje pingpong. En dat het niet over literatuur gaat. Want je begrijpt dat het in al die damesbladen altijd over literatuur moét gaan, daarover ben ik onderhand wel zowat uitgepraat.”

Aan de pingpongtafel, tiens. Ik zou hebben gedacht: op de fiets? Ik ben toch een wielerfanaat?

„Klopt. Het zou ook mooier zijn geweest om ons gesprek te houden dokkerend over een kasseistrook in de Vlaamse Ardennen, maar mijn zelfvertrouwen op het fietsje is een beetje weggeëbd. Ik kom nog weinig aan fietsen toe, zie je, en ik kijk er naar uit weer voldoende kilometers bij elkaar te hebben gesprokkeld, zodat ik eindelijk opnieuw conditioneel klaar ben om die lange, contemplatieve tochten aan te vatten.”

Dat begrijp ik. Ik zet de ene helft van de pingpongtafel recht. Heerlijk toch, zo pingpongen tegen jezelf. Het is waar dat ik er afgeleefd uitzie. Moe, sterk vermagerd ook.

„Er zijn toch zo’n vijftien kilo’s afgevlogen. Miserie is een uitstekend dieet en ik heb wel wat rommel gecreëerd en opgeruimd de laatste twee jaar. De rommel is dan wel grotendeels weg, de kilo’s natuurlijk ook. En daar komt bij dat ik als een waanzinnige aan de schrijfstok hang. Er is een hardnekkig doodsbesef in mij geslopen, het idee dat ik nooit zal zijn uitgeschreven en dat ik mij heb te haasten. Zowel Kaddisj voor een kut als het Boekenweekgeschenk heb ik in helse omstandigheden geschreven, als een opgejaagde banneling, en hoewel het persoonlijk geluk weer met grote emmers over mij wordt uitgegoten, zit die onrust nog steeds in mijn systeem. Schrijven als een bezetene. Ik ben helaas opnieuw gaan roken gelijk een crematorium, als mijn geliefde zich niet over mij ontfermt eet ik uitsluitend rotzooi, en de enige vloeistoffen die ik nog tot mij neem zijn koffie en rode wijn.”

In de romantische verbeelding van de mensen is dit de voedselpiramide van de schrijver, toch?

„Onzin natuurlijk. Bovendien werkt het de hypochondrie in de hand. Soms voel ik smerige pijnscheuten in mijn hart, zeer angstaanjagend. En in plaats dat ik naar de dokter zou gaan, leg ik mij neer bij het idee dat ik weldra op straat in elkaar zal zakken, en ga ik mijn race tegen de tijd opvoeren en nóg bezetener schrijven.”

Moet ik nu als ikterviewer zelfmedelijden gaan voelen? Want treurig en eenzaam klinkt het natuurlijk wel.

„Treurig in geen geval. Mijn werkvreugde is onaangetast. De dag dat ik geen lol meer zou beleven aan het schrijversambacht valt waarschijnlijk mijn bestaansreden weg. Euthanasie lijkt mij daar, in mijn specifieke geval, gerechtigd. Eenzaam is het evenmin. Maar het neemt niet weg dat ik, en dat is toch nieuw, meer dan vroeger geniet van het samenwerken met anderen. Zo kijk ik sterk uit naar een volgende collaboratie met Ola Mafaalani van het Noord Nederlands Toneel, met wie ik woeste, zij het vooralsnog onuitgewerkte plannen voor het theater koester. Ik heb nog wat op stapel staan met Manu Riche, die op dit ogenblik de verfilming van Problemski Hotel inblikt. En misschien nog meest van al kijk ik uit naar de naderende dag waarop ik de opnamestudio in duik.”

Muziek?

„Ik kan het niet meer blijven uitstellen. Muziek is prominent aanwezig in mijn leven, altijd geweest. Het is mijn eten en mijn drinken. Ik voel het al zo lang aan mijn mouw trekken en angst heeft mij gedurig tegengehouden om op de avances van de muziek in te gaan, maar ik weersta er niet meer aan. De tijd is gekomen om dat album te maken. Ik wil niet sterven met spijt omdat ik dingen niet gedaan heb. Het hoofdthema van ‘De laatkomer’ overigens; ik ben het aan mezelf verplicht mij te gedragen naar de inzichten die ik in mijn boeken bij elkander klieder.”

Spannend. Mezelf kennende wordt dat tamelijk jazzy?

„Die mogelijkheid is groot inderdaad. Ik zie wel. Ik bof mij te mogen amuseren met een aantal onwaarschijnlijk getalenteerde muzikanten, zodanig dat ik mij geneer tussen hen in te lopen. Maar de kans bestaat dat het eindresultaat ergens tussen Igor Stravinsky en Frank Zappa in zal liggen, met een geut zelfrelativerende kitsch erin, en dat ik zulks hoegenaamd niet erg zal vinden. Het opzet is alleszins niet zendtijd op MTV te krijgen.”

Over samenwerkingen gesproken: nog iets van Ken Loach gehoord?

„Ik mag daar eigenlijk niet over praten, maar tegen mezelf kan ik wel kwijt dat film een tergend traag proces is. Het zou mooi zijn indien hij De laatkomer zou verfilmen, maar er zijn uiteraard nog andere mensen die dat uitstekend zouden doen.”

Mijn tijd zit er op. Els Wouters, de dame die mijn pr behartigt, zegt dat het volgende interview op de rol staat en ik moet afronden. Genoeg tegen mezelf geluld. Jammer, want ik had mij nog wel iets te vragen over eventuele poëzieplannen. Voor een fotosessie, bestaande uit enkele selfies, is er geen tijd meer. Ze loodst een journaliste van het zoveelste madammenblad binnen, installeert me met verse koffie en een boule de berlin aan een tafel. De recorder gaat aan. En ik hoor de journaliste haar eerste vraag stellen: Wanneer wist u dat u schrijver ging worden?

Ben ik even blij zeg, dat ik mezelf niet ben.

    • Dimitri Verhulst