Column

De meester en de pastoor

Toen ik negen was, kwam ik in Lage Mierde op school bij meester Leenders. Hij zag eruit als een 19de-eeuwer – met zijn bronskleurige haar, zijn getrimde baard en zijn onafscheidelijke sigaar. In het speelkwartier surveilleerde hij kaarsrecht met de blik vooruit, de ogen geknepen over het schoolplein.

Meneer pastoor was de andere autoriteit van het dorp. Hij kwam met een lange stok en een geïllustreerde bijbel in de klas en vertelde daaruit. Als iets hem niet beviel, sloeg hij met de stok op tafel. Men sprak hem zelden aan.

Ze hoorden bij elkaar, de meester en de pastoor. In de lijdensweek voor Pasen volgden wij de meester naar de kerk, waar de pastoor ons het lijdensverhaal vertelde en de meester dat uitlegde. Dat was in 1977.

In de jaren daarna zag ik meester Leenders nog wel eens. De pastoor ging en er kwam een ander, de kerk liep leeg, maar de meester bleef om de dorpsbewoners het evangelie in gewone woorden uit te leggen. Om de zondag deed hij dat, totdat de kerk in 2013 dichtging. Daarna zette hij zijn werk voort in de kapel van het bejaardentehuis. Hij mocht de hosties uitdelen, die de pastoor gezegend had.

Gisteren ging ik in Lage Mierde bij meester Leenders op bezoek. Hij woont met zijn vrouw in een aanleunwoning, honderd meter van zijn oude huis. Nog steeds heeft hij – ‘ongeverfd’, zegt hij meteen – bronskleurig haar en een getrimde baard. Zijn rug is kaarsrecht, om zijn boord een vlinderstrik.

Maar de meester heeft voor het eerst in veertig jaar ruzie met de pastoor. De conservatieve pastoor Karel van Roosmalen vindt de wekelijkse gebedsdienst in het bejaardentehuis infaam. Hij dreigde Leenders en de bezoekers: „Als de gebedsdienst niet wordt beëindigd, reik ik de gelovigen van Lage Mierde de hostie niet meer uit.”

De parochianen zijn des duivels als ik ze in de eetzaal tref. Ze vinden de pastoor kil. Hij heeft, zeggen ze, geen aandacht voor de zieken en de doden, alleen voor de regels. Hier zijn nog gelovigen en dan worden ze uit de kerk gestoten. Ze willen de hostie wel, maar niet van hem.

„Ik geloof niet dat Onze Lieve Heer het goed vindt wat hij doet”, zegt To Hendrikx, die 35 jaar lang de kerk heeft gepoetst en negentien jaar voorlas in de gebedsdienst. Ze heeft per direct haar medewerking gestaakt. „We zijn katholiek”, zegt Roos van der Staaij, „maar we kunnen nergens naar de kerk.”

Meester Leenders is voor de laatste keer voorgegaan. „De pastoor”, concludeert hij, „heeft de eucharistie gebruikt als dwangmiddel.” Hij noemt hem ‘een autist’. Na afloop zegt hij: „Ik ben mijn kerk kwijt, de kerk die me verrekt lief is.” Hij huilt, de oude, kaarsrechte meester.

En de pastoor? Die is zijn morele gezag al lang geleden verloren. Wat rest is zijn laatste machtsmiddel: de consecratie. Zijn vermogen om het brood te veranderen in het lichaam van Christus. Als ik hem bel, zegt hij: „Ik bied de bewoners nog de eucharistie aan om ze een dienst te bewijzen. Verder heb ik niets te zeggen, mevrouw.”