‘Beste theater is vol theater’

De Nationale Opera brengt opnieuw Mozarts ‘Die Zauberflöte’ in de succesregie van Simon McBurney. „Ik had geen vastgelegd concept.”

Maximilian Schmitt (Tamino), Chen Reiss (Pamina) in Die Zauberflöte Foto hans van den bogaard

2012 was het jaar dat de Britse regisseur Simon McBurney het Amsterdamse publiek definitief veroverde. McBurney, die eerder had geïmponeerd met de opera A Dog’s Heart, kwam dat jaar eerst met het briljante toneelstuk The Master and Margarita in het Holland Festival waarin virtuoze projecties rondvliegende acteurs suggereerden. Vervolgens volgde in december een van de grootste pers- en publiekssuccessen uit de geschiedenis van De Nationale Opera met Die Zauberflöte.

Had u dit succes verwacht?

Simon McBurney: „Nee. Ik stelde me tevoren slechts de simpele vraag: hoe komt deze klassieker tot leven? Door het relevant te maken voor onze eigen tijd. Als alle goede sprookjes gaat Die Zauberflöte over de echte wereld, combineert het magie en sprookjeselementen met ideeën over filosofie, politiek, samenleving en het gezin.

„In deze enscenering streef ik daarom naar maximale integratie van alle elementen, inclusief het publiek. Het orkest is verhoogd zodat het goed zichtbaar wordt. De zangers komen soms op uit de zaal. De special effects worden op het podium met kleine middelen gemaakt. Eigenlijk gebeurt er vrij weinig spectaculairs in deze voorstelling: de magie speelt zich af in het hoofd van de toeschouwer.”

Vergt zo’n visueel inventieve voorstelling veel voorbereiding?

„Ik had geen concept. Slechts de eerste bladzijde schrijf ik vol, de rest laat ik leeg tot de repetities. Vergelijk het met een goed voetbalteam dat flexibel reageert op de situatie ter plekke: als je alles van tevoren vastlegt is het eindresultaat rigide.”

Schuilt daarin een belangrijk verschil met het Duitse regietheater, dat vaak vanuit een meer abstract concept een operaklassieker benadert?

„Ook in de Angelsaksische wereld vertrekt men vaak vanuit een concept, zij het dat dit in het Engelse theater meestal heel provinciaal en prozaïsch is. De ene aanpak is niet beter dan de andere. Het belangrijkst: je maakt theater voor het publiek. Het beste theater is een vol theater. In de bioscoop kun je in je eentje een film kijken, in de opera zou dat gênant zijn. Als je je publiek vergeet, sterft het theater af. In Die Zauberflöte vieren we de theatermagie sámen met de toeschouwer.”

Raakte bij de visuele magie en het gebrek aan vooropgesteld concept de personenregie wellicht een beetje op de achtergrond? Opperpriester Sarastro bijvoorbeeld lijkt een wat grijs figuur.

„Wie dat vindt, heeft een bril nodig. Sarastro is in de meeste producties eendimensionaal goed of slecht, daar houden critici van. Maar bij ons is het een hoog ontwikkeld personage: betrokken bij Pamina, patriarchaal en het hoofd van een samenleving, democratisch én autocratisch, bezorgd over zijn eigen macht en hoe deze zich ontwikkelt.

„De Koningin van de Nacht geven we ook een belangrijke eigenschap mee: ze zit in een rolstoel, wat een effectieve manier is om het dreigende verlies van haar macht te symboliseren. De drie ‘Knaben’ portretteren we als seksloos, oud in wijsheid, en niet van deze wereld. Ze zijn ontroerend én vervreemdend. Nee, wie beweert dat onze personages geen diepere achtergrond hebben, zegt in feite: Mozart is dom.”