Wie is toch die man die al die ingezonden brieven stuurt?

Hoog in de Groningse Tasmantoren tikt A.L. („Arie”) de Werker gestaag aan een oeuvre ingezonden brieven. Oekraïne, schaliegas, het koningshuis, Syrië, flauwe koppen in de krant, de onzin van soft power, de kullekoek van columnisten – het is maar een kleine greep.

Hij vaart er wel bij. „Het Zwitserleven-gevoel, dat ben ik”, zegt hij, terwijl we vanaf de zeventiende verdieping uitkijken over het Groningse platteland.

Sinds mijn aantreden in 2010 kreeg ik 329 e-mails van hem met klachten, correcties, suggesties en analyses.

Hij maakte zijn debuut, volgens het archief, in 2008 met een brief over een wereldvreemd voorstel de NAVO op te heffen. Daarna volgden er nog 39, over allerlei onderwerpen. Archetypisch: En weer is het niet goed (3 juli 2013), over door de krant eerst gewenst en later bekritiseerd dualisme in de Tweede Kamer.

Ik zocht De Werker op, omdat ik de man achter deze stroom brieven wilde ontmoeten, maar ook omdat ik benieuwd was naar zijn opvattingen over de krant. Waarom leest hij die, als er elke dag wel iets in staat om zijn toetsenbord te laten ratelen?

Zo begint zijn eerste e-mail aan mij, oktober 2010: „Met wat gekromde tenen net de eerste tekst van de geïmporteerde hoofdredacteur gelezen. Wat een kapsones!” Volgt ironie over de „voortreffelijke, boven (voor)oordelen verheven, een toonbeeld van beschaving zijnde journalisten van NRC Handelsblad”.

Later volgde de inhoudelijke klacht: „In plaats van de nuance – die ten aanzien van het geloof overigens afwezig is – zou ik liever wat meer aandacht zien voor de realiteit, met name als het gaat om buitenlands politieke vraagstukken. De waarheid dat mensen en staten zich primair laten leiden door belangen wordt ontlopen [...] Het resultaat zijn sprookjesverhalen en wensdromen over internationaal recht.” In NRC Handelsblad is „de ratio gevangen in wensdromen”. Er heerst „Vooruitgangsgeloof, waarvan veel gezegd kan worden, maar niet dat het rationeel is.”

En toen was het pas december.

Arie de Werker (89) is de zoon van een douaneambtenaar. Hij groeide op in de arbeiderswijk Rotterdam-Feijenoord, waar, zegt hij, „maar één god werd aanbeden: fatsoen”. Armoede, werkloosheid en drankmisbruik lagen op de loer. Zijn vader werkte nog, wat ook weer een nadeel had: als enige van 35 leerlingen mocht De Werker niet mee op een schoolreisje voor kinderen van werklozen naar Hoek van Holland. Hij kwam in 1937 nog wel, voor een dubbeltje, binnen bij de openingswedstrijd in De Kuip.

Over de Maasbruggen lonkte een andere wereld: theaters, bioscopen en de bibliotheek. Na drie jaar ulo belandde De Werker bij de belastingdienst – waar hij tot zijn vut zou werken, laatst op het niveau van hoofdinspecteur. En hoewel Feijenoord weinig op had met liberalen („Die liberales heetten bij ons ‘liever alles’, omdat ze altijd alles wilden”), las hij vanaf 1970, verhuisd naar Den Haag, NRC Handelsblad.

Bijna vijftig jaar dus. Met vaste ergernissen. Voorop: die „Verlichtingsdogma’s” in de krant, het „selectieve cynisme” over het christendom („Waar een kleine krant klein in kan zijn”); de „hetze” tegen Balkenende; de „guerrilla” tegen het koningshuis; de berichtgeving over Wilders („een scheefgegroeide tak van de liberale boom”); de grote foto’s („Ik hang ze toch niet aan de muur?”); grof taalgebruik („schijt” op de voorpagina) het „verschrikkelijke” woord ‘duiding’; de schijnoorlog tussen religie en wetenschap („Elke dag een voorwereldlijk dier laten paraderen om het Bijbelse scheppingsverhaal te ontkrachten, het hoeft echt niet meer zo nodig.”)

Nee, ook de ombudsman ( de „radarpost van de krant”) spaart hij niet: „1.720 mails per jaar lijkt veel, zoals in uw jaarverslag staat, maar toch zijn dat er maar 6,5 per werkdag. Zoals mijn vrouw zegt: dat is te doen.” Ook: „Wel erg klein bier.” Of: „Het viel weer niet mee.”

Maar De Werker is ook vol enthousiasme over de krant, en barst soms uit in een lofzang. „Met regelmaat constateren mijn vrouw en ik: wat hebben wij toch een bijzondere krant.” De krant is „een groot genot”, hij zal die „never nooit” opzeggen. Lof voor de „prachtige” vormgeving, soms. Weg met het „gezeur” over Lux, dat ze in huize De Werker graag lezen, althans „ik kijk er zelf soms ook in”. En dan is de „geïmporteerde” hoofdredacteur ook opeens weer een „opfrisser”.

Maar de rode draad blijft: de krant is bevangen door de Verlichting. Hij stoorde zich aan een vroom commentaar over ‘de lessen’ van Auschwitz, „alsof de krant wil zeggen: foei, maar als we er maar over praten, gebeurt het niet meer”. In plaats daarvan bepleit hij een „reëel mensbeeld”. Zoals in de columns van de door hem betreurde J.L. Heldring. Diens afscheidsartikel „bevat meer wijsheid dan tien jaargangen NRC (afgezien van zijn eigen columns)”.

Als De Werker de krant iets aanrekent, is het dat er geen nieuwe Heldring is opgestaan. Maar ja, zegt hij, de huidige universiteiten brengen geen generalisten meer voort. En de andere columnisten? „Te veel klagers dat het nooit goed is. De politiek is bij hen altijd beperkt en bekrompen. Van die cirkelzaag profiteert alleen de PVV. Ik wil iets leren van columnisten, niet telkens horen dat iets niet deugt.”

Het geloof, dan. De Werker omschrijft zichzelf, een tikje ironisch, als „lichtzinnig-orthodox”. Al heeft hij weinig op met linkse predikanten uit de jaren zeventig („de Marx brothers”). Integendeel, de Heidelberger Catechismus bracht hem tot het geloof – met name Zondag 3, waar de mens wordt getypeerd als „onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad”. Begrijp hem goed, dat geldt verticaal, vanuit Gods geboden aan de mens, niet horizontaal tussen de mensen („er zijn best veel aardige mensen”).

Het gelijk van die tekst wordt in de krant dagelijks bevestigd, zegt hij – en hij kan er persoonlijk over meepraten, ondanks zijn Zwitserleven-gevoel. Tijdens de razzia van november 1944 in Rotterdam kwamen de Duitsers de straat in, om mannen en jongens weg te halen. „Ik stond achter het raam om te kijken. Maar ze hielden net voor onze deur op, om te gaan eten. Toen kwamen er vrouwen naar buiten die riepen: moet die jongen van De Werker niet mee?”

Vandaar: Zondag 3.

Na negen maanden dwangarbeid in Duitsland keerde hij sterk vermagerd terug – 59 kilo, 1 meter 83. Wat ook wel weer een voordeel had, zegt hij, want hij werd prompt afgekeurd voor dienst in Indië. Hij wil maar zeggen: de werkelijkheid is zelden zwart-wit.

De hamvraag. Waarom leest hij de krant? De Werker, resoluut: „Ik wil een blik op de wereld houden. Ja, ik kan me achter een muurtje opsluiten met Trouw. Maar ik wil mijn wereldbeeld elke dag opnieuw toetsen, kijken of het tegen de feiten bestand is. Of mijn opvattingen houdbaar zijn.”

Kortom, over die reclameleus is veel gelachen, maar de krant is zijn ‘slijpsteen voor de geest’. Dat maakt A.L. de Werker, in mijn ogen, tot een ideale lezer – een die de krant op zijn beurt óók weer slijpt.

Laatste vraag: zijn wij nu de enigen die hij bestookt met brieven, of zijn er meer slachtoffers? Ja, het kerkblad – maar daar werden zijn epistels te kritisch voor de dominees. En o ja, had ik het gedicht in de hal beneden niet gezien?

In steen gehouwen prijkt daar in de entree van het gebouw een gedicht van ‘a.l. de werker’ over de Tasmantoren:

Een staalkaart waarlangs water rust’loos verder stroomt.

Had over de krant kunnen gaan.