Wetenschap is dan maar een trucje

Bij gammavakken worden steeds vaker slechts trucjes aangeleerd zoals bij hbo-opleidingen. De geesteswetenschappen manen juist tot beraad en voorzichtig oordelen, ervoer Annet Veenstra.

Denk niet dat een student nog een studieboek openslaat. Maar dat vermoedde u al. Het probleem is echter niet dat ze dat boek niet meer openslaan, het probleem is dat ze dat niet meer hoeven. Zeg nou zelf, had u de keuze tussen een heel boek uit het hoofd leren of de samenvatting door de docent opgelepeld krijgen, dan had u de keuze ook snel gemaakt. Bovendien, met optie twee scoort u hoger, want de docent vertelt nauwkeurig waar hij de aandacht op zal leggen in het tentamen. De rest mag u overslaan.

In verwoede pogingen het nut van de geesteswetenschappen te legitimeren, wordt de aandacht weggeleid van de andere faculteiten. Daar is het eigenlijk veel beroerder mee gesteld.

De gammawetenschappen spannen de kroon; studenten worden gedurende hun bachelor en hun master beziggehouden met het tot in de perfectie aanleren van een bepaalde bronvermeldingsstijl (APA), het in elkaar zetten van flashy powerpoints en het klikken op de juiste knoppen in dataverwerkingsprogramma SPSS.

Dit zijn tamelijk holle exercities. Je kunt een aap nog leren zijn bronnen adequaat te vermelden, maar je kunt vervolgens moeilijk stellen dat je hem wetenschappelijk hebt gevormd.

Want wat kun je eigenlijk als je enen en nullen door een dataverwerkingsprogramma weet te halen? Wat heb je eraan een bronvermeldingsstijl tot vervelends toe te beheersen, als je niet in staat bent die informatie samen te voegen tot een vernieuwend perspectief op het onderwerp? Dan beheers je alleen trucjes. Dit trucjesonderwijs zorgt ervoor dat een student niet verder leert denken dan zijn trukendoos.

Tijdens mijn master bedrijfscommunicatie (ook zo’n gammawetenschap met een alfa-inhoud en een bètamethodiek) bleek het gros van mijn medestudenten een artikel over de meeting of minds tussen auteur en lezer niet te begrijpen. Te abstract, te filosofisch, te hoog gegrepen voor een masterstudent. (Bij een artikel van Nussbaum waren ze ter plekke ingestort.)

Tijdens mijn studie psychologie bleken mijn medestudenten vooral het schrijven te zijn verleerd. Papers werden vooral beoordeeld op een paar al dan niet cursieve komma’s, niet op de inhoud.

Hoe anders ging dat tijdens mijn bachelor klassieke talen. De richtlijnen voor bronvermelding werden ons in hooguit twee colleges uitgelegd. Want bij letteren begrepen ze dat een citeerstijl slechts bijzaak is, zolang je die maar consequent hanteert. Daar begrepen ze dat een paper moet toetsen of je kunt voortbouwen op de aangereikte stof – laat nu maar eens zien of je zelf kunt nadenken.

‘Onderzoek doen’ is aan een flinke inflatie onderhevig geraakt; je kunt niet vroeg genoeg beginnen. Reeds in de bachelor nemen studenten uitentreuren vragenlijsten af bij een ieder die maar lang genoeg stilstaat in mensa of trein. En erger, sinds kort worden er ‘wetenschappelijke’ middelbare scholen uit de grond gestampt om de ‘wetenschappelijke vorming’ al aan de scholier op te dringen. Maar scholier noch student zijn zo vroeg al rijp om een degelijk artikel te produceren. Eerst moet je kennis opdoen en pas als die kennis is bezonken, kun je een zinnige synthese vormen uit het geleerde. Na je studie begint dat een beetje te komen.

Het smijten met enkele onderzoekstermen en het pronken met een paar statistieken levert je misschien de reputatie op dat je je al vroeg met ‘wetenschappelijke vorming’ bezighoudt, maar dat is weinig meer dan een lege huls.

Bovengenoemde trucjes zouden een marginale rol moeten spelen in het onderwijs en in dienst moeten staan van de inhoud. Maar ze zijn een doel op zich geworden. Echter, weten hoe een wetenschapper het doet, is niet hetzelfde als een wetenschapper zijn. Als wetenschap een trucje was, dan had Robbert Dijkgraaf net zo goed auto’s kunnen verkopen.

De focus op trucjes levert in de volwassen gammawetenschap de merkwaardige illusie van een monopolie op de waarheid op; als de datamachine gunstige resultaten uitspuugt, dan heeft men de Absolute Waarheid in handen. Want cijfers liegen natuurlijk nooit. Maar in deze wetenschap is alles zowel waar als onwaar. Je kunt gerust een willekeurige boude bewering de discussie in slingeren: psychologische behandeling X is effectief voor stoornis Y. Je vindt gegarandeerd tien onderzoeken die je bewering staven. En tien onderzoeken die het tegenovergestelde ‘bewijzen’.

Bij letteren is men daar reëler in: je kunt in de wetenschap hoogstens een aardige poging wagen om dichter bij de waarheid te komen. Je kunt nooit bewijzen, je maakt slechts aannemelijk. Wetenschappelijke vorming draait om het ontwikkelen van perspectivische lenigheid. Met het besef dat de waarheid ook maar relatief is.

En toch ziet men op de arbeidsmarkt die aapjes graag die trucjes doen. En stellen de studenten die vooral veel APA en SPSS maar weinig eigen denkwerk hebben verricht, later wel uw psychologische diagnoses. Waarmee ze een onuitwisbare impact op uw leven hebben. Want diagnoses liegen natuurlijk nooit. Gezien de invloed van die beroepsgroep zou je zeggen dat een psychologiestudent aan hogere eisen moet voldoen dan een letterenstudent. Quod non. (U wist al dat alle psychologietentamens multiple-gok zijn, toch?)

Kan een psychologiestudent dan minder aan dan een letterenstudent? Nee hoor, die studie vergt gewoon te weinig van haar studenten, namelijk loze exercities die verschoond zijn van elke vorm van creativiteit. Een veredeld hbo eigenlijk. En toch studeer je daar met een universitaire graad af. Als het zoveelste aapje.