Vleeseter met een klein gebit en een plat gezicht

De vroegste mensen moesten op hun hoede zijn voor hyena’s en katachtigen. Levenswijze en stamboom in drie vragen.

1 Chimpansee, Lucy, mens. Hoe ziet de menselijke stamboom er tegenwoordig uit?

De stamboom van de mens begint bij de gezamenlijke voorouder met de chimpansees, onze meest naaste nog levende verwanten in de natuur. Die chimpmens moet ergens rond zes miljoen jaar geleden hebben geleefd, in Afrika.

Het belangrijkste fossiel uit de eerste fase van de menselijke evolutie, van 6 tot 4 miljoen jaar geleden, is Ardipithecus ramidus. Ardipithecus (ca. 4,4 miljoen jaar geleden) had een kleine herseninhoud (350 milliliter), kon al redelijk op twee benen lopen, maar was ook aangepast aan een leven in de bomen (met grijpvoeten).

De tweede fase begint rond 4 miljoen jaar geleden: uit Ardipithecus evolueert Australopithecus. Deze soort heeft nog steeds kleine hersenen (500 milliliter) en een apensnuitje, maar is wel veel beter aangepast aan het tweebenige leven op de grond: zonder grijpvoeten, maar wel met lange takzwaaiarmen.

De derde fase begint met de overgang van Australopithecus naar het mensengeslacht Homo, ergens tussen 3 en 2 miljoen jaar geleden. Homo wordt gekenmerkt door hersengroei, kleine tanden, werktuiggebruik en een rijzige gestalte. Moderne mensen (Homo sapiens) en neanderthalers verschenen pas in de laatste 200.000 jaar. Homo sapiens is de laatst overgebleven soort van het geslacht Homo: rechtoplopend, taalvaardig, technisch begaafd en met een hersenvolume van 1.350 milliliter.

2 Wie waren de eerste mensen en hoe leefden ze?

Het Ethiopische onderkaakje van 2,8 miljoen jaar oud en een bovenkaak van 2,3 miljoen jaar oud zouden de oudste fossielen van het geslacht Homo zijn. Er is bijna niets bekend over deze allereerste mensen.

De eerste menssoort waarvan ook een schedel is gevonden is Homo habilis, de ‘handige mens’ (2,1 tot 1,8 miljoen jaar geleden). Habilis leefde gelijktijdig met Homo rudolfensis (2,1 tot 1,44 miljoen jaar geleden) en met Homo nummer drie: Homo erectus (1,9 tot 0,9 miljoen jaar geleden).

De drie menssoorten hebben gemeen dat ze een flink brein hadden (750 milliliter) en waarschijnlijk stenen werktuigen gebruikten. Werktuigen maakten van Homo een vleeseter: met steen konden deze vroege mensen het vlees van botten snijden en bij het voedzame beenmerg komen.

Homo erectus ontpopte zich uiteindelijk als de meest succesvolle vroege mens. Zijn hersenen waren groter, zijn vuistbijlen complexer en zijn verspreidingsgebied groter: Homo erectus verliet Afrika en bereikte Indonesië.

3 Waar leefden de eerste mensen?

De wieg van het mensengeslacht Homo stond op de savanne. De Oost-Afrikaanse riftvallei, waar bijna alle fossielen van vroege mensen zijn ontdekt, leek 2,8 miljoen jaar nog het meest op de moderne Serengeti en Kalahari: gras zo ver als het oog reikt, afgewisseld met rivieren en meren en af en toe een paar bomen.

De reconstructie van een open savannelandschap, in een apart artikel in Science deze week, is gebaseerd op de fossielen van dieren in de buurt van het kaakje. De onderzoekers vonden resten van kleine en grote grazers, zoals gazelles, neushoorns, olifanten en paarden. Fossielen van waterbokken, nijlpaarden en vissen duiden op de aanwezigheid van water.

De eerste mensen waren klein, roofdieren waren daarom gevaarlijker. Veel beenderen van vroege mensen zijn afgeknauwd of gebroken door roofdieren en aaseters. In een sedimentlaag, niet ver van het fossiele kaakje, vonden paleontologen botten van hyena’s en de sabeltandkatten Dinofelis (formaat jaguar) en Homotherium (ter grootte van een leeuw).

In het water lagen krokodillen op de loer. Oerkrodillen konden erg groot worden. In 2010 beschreven paleontologen een fossiel van Crocodylus anthropophagus (‘mensenetende krokodil’). Dit monster kon 7,5 meter lang worden en droeg hoorntjes boven zijn oren. Hij leefde 1,84 miljoen jaar geleden, in de tijd van Homo habilis, rudolfensis en erectus.