Universiteit ondersteunt de scholen niet meer

De universiteit is niet langer de waarborg voor de kwaliteit van middelbare scholen, vooral bij talen, vindt Ad Verbrugge.

Enkele weken geleden kwam mijn zeventienjarige dochter razend enthousiast uit school. Ze vertelde plotseling honderduit over Duitse schrijvers en dichters, begon uit te wijden over Goethe en Schiller en stelde me vragen over de Duitse filosofie. Het leek wel even of ze verliefd was geworden. Ik wist eerlijk gezegd niet helemaal wat me overkwam, want ze had eerder nooit met zoveel enthousiasme over school gesproken.

Ze bleek zogenoemd periodeonderwijs te hebben. In deze periode ging het over Duitse literatuur, een vak dat werd gegeven door een leraar van een jaar of zestig. Mijn dochter was helemaal vol van de manier waarop deze man lesgaf en vooral ook wat hij allemaal behandelde in een uur. Zoiets had ze nog nooit meegemaakt. Hij nam gedichten en teksten met de klas door en hij kon er zo mooi over vertellen. En wat wist hij veel van geschiedenis en cultuur! Dit was het mooiste en beste wat ze tot nog toe op school had gekregen; het ging echt over het leven zelf en over de dingen die werkelijk iets betekenen voor mensen.

Haar enthousiasme hield zowaar een paar weken aan. Plotseling vond ze Duits eigenlijk best wel een mooie taal. Op gegeven moment zei ze zelfs dat ze in de toekomst iets wilde gaan studeren dat verband hield met de dingen die tijdens dit vak aan bod waren gekomen. Haar hart ging uit naar de letteren, zo mocht ik tot mijn eigen genoegen waarnemen! Of het zover komt, zullen we nog zien, maar het leerde me te meer hoezeer inspirerende leraren van doorslaggevende betekenis kunnen zijn voor je persoonlijke ontwikkeling en studiekeuze. Ik weet het, een dergelijke wijsheid is een open deur, maar die kan niet vaak genoeg worden ingetrapt.

Het zet meteen ook de huidige discussie over de universiteit en de toekomst van de geesteswetenschappen, in het bijzonder de kleine talen, in een ander licht. Inmiddels namelijk behoren niet alleen Noors en Tsjechisch, maar ook Duits en Frans tot bedreigde vakgebieden aan de universiteit. Hoe terecht de kritiek op het rendementsdenken en de bestuurscultuur misschien ook is, de huidige problemen van de geesteswetenschappen gaan verder en wijzen op de betonrot in ons hele onderwijsgebouw.

Het is zorgwekkend dat er intussen jaarlijks meer leerlingen klassieke talen gaan studeren aan de Nederlandse universiteit dan Duits of Frans. Het gaat bij Latijn en Grieks nota bene ook nog eens om dode talen waar je zogezegd ‘niets mee kunt’. Deze leerlingen hebben de liefde voor de klassieken meestal opgedaan dankzij hun leraar of lerares in het voortgezet onderwijs. Zij kiezen weer voor deze academische studie klassieke talen. Op die manier wordt een vak doorgegeven. Zo ontstaat traditie – de gymnasiale in dit geval. In die zin is er ook sprake van een vruchtbare wisselwerking tussen de school en universiteit (hoewel ook daar momenteel veel op af te dingen valt).

Het leren van dode talen wordt als een dusdanige verrijking van het leven ervaren dat jonge mensen er hun studietijd aan willen wijden, om later vaak zelf weer leraar te worden en deze rijkdom door te geven. Het vormt zogezegd hun geestelijke horizon die daardoor ook deel uitmaakt van onze eigen taal en cultuur. De moderne vreemde talen als Frans en Duits hebben het wat dat betreft een stuk moeilijker; niet alleen aan de universiteit, maar ook op scholen. Veel leerlingen zien er het nut niet van in en op school is hun kennelijk vaak niet de liefde voor taal en cultuur bijgebracht. Hoe komt dat?

In het voortgezet onderwijs zijn lesprogramma’s in taal en cultuur verschraald en is het lezen van literatuur vrijwel verdwenen uit het curriculum. Daarnaast geldt dat er steeds minder academisch gevormde leraren lesgeven en de kwaliteit van lerarenopleidingen op het hbo vaak ernstig te kort schiet. Leraren uit het hbo hebben bovendien vaak zelf een havo of mbo-achtergrond, zodat leerlingen in het vwo les krijgen van leraren die zelf geen academische achtergrond hebben. De kans dat deze leerlingen zich er toe geroepen voelen om dit vak op de universiteit te gaan studeren is dan ook minder groot. Bovendien is de algehele waardering voor de kennis van taal en cultuur laag – ook op de universiteit zelf. Het gemiddelde niveau van de geesteswetenschappen daalde de afgelopen decennia aanzienlijk, mede als gevolg van dalende kwaliteit van de instroom en de genoemde rendementsfinanciering.

Met uitzondering van de meeste gymnasiasten beheerst de gemiddelde Nederlandse student het Nederlands vaak onvoldoende. Wat de beheersing van Duits en Frans betreft, gaan we er op de universiteit inmiddels al van uit dat we geen studieboeken in deze talen kunnen opgeven. De laatste jaren blijkt ook het studeren uit Engelse studieboeken door een bepaalde groep studenten lastig te worden bevonden. De motivatie om talen te gaan studeren onder jongeren is laag en vakgroepen worden opgeheven vanwege een te geringe instroom.

Maar zo stort op termijn het hele taalgebouw in Nederland in. Want waar komen onze toekomstige leraren nog vandaan? Waar zijn zij geschoold? Op het hbo? Daar is de instroom ook laag. En hoe verbeteren we de kwaliteit als de kennis en de levende traditie ontbreekt? Waar moeten de gekwalificeerde docenten Frans, Duits en Spaans vandaan komen die lesgeven op deze lerarenopleidingen? Waar hebben die weer hun opleiding genoten? Wat is het niveau van hun Bildung die zij weer inspirerend door kunnen geven aan hun studenten, zodat die het weer aan hun leerlingen kunnen doorgeven? Welke instantie draagt momenteel actief zorg voor de kwaliteit van het onderwijs en de vakinhoudelijke ontwikkeling van docenten?

Ons hele onderwijsgebouw vraagt om een academische waarborg van de integrale kwaliteit van vrijwel alle schoolvakken. Veel bestuurders lijken nauwelijks te beseffen dat de geesteswetenschappen in hun onderlinge samenhang een aanzienlijk deel van die vakken bestrijken. Door het inkrimpen en opheffen van vakgroepen verdwijnt ook de academische expertise waarop het hele kennisgebouw van ons onderwijs behoort te rusten. In de manie van internationalisering en grenzeloze artikelenproductie hebben de disciplinaire vakwetenschappen hun nationale verantwoordelijkheid tegenover het onderwijs in veel gevallen niet serieus genomen.

Nederlandse universiteiten zien de zorg voor taal en cultuur niet meer als een deel van hun kernopdracht, met taalarmoede als gevolg. Alleen al het feit dat het zogenoemde globish – het tot 1500 woorden uitgeklede mondiale en steeds ook lokaal gekleurde steenkolenengels – tot voertaal van veel van onze studies is verheven, ja ook in de geesteswetenschappen, sorry humanities, maakt duidelijk wat de huidige waardering voor taal aan de universiteit is. Ook de protesterende studenten in het Maagdenhuis doen daar trouwens vrolijk aan mee met hun debatten in het globish. Goedbedoeld misschien, maar tegelijk ook een uiting van de diepere crisis in de geesteswetenschappen.

Als er echt een nieuwe lente voor de geesteswetenschappen wil aanbreken, dan moet er weer een vruchtbare wisselwerking tussen universiteit en het hele onderwijsgebouw tot stand komen waarin vakinhoudelijke kennis en algemene vorming weer centraal staan. Dat zal de nodige tijd en inspanning vergen en, jazeker, ook geld kosten. Laten we hopen dat de universiteit deze verantwoordelijkheid op zich neemt en de politiek haar daartoe in staat stelt.