Geforceerde herdenking helpt niet

illustraties cyrian koscielnak

Het is niet moeilijk mee te voelen met de meer dan 120.000 Nederlandse mannen die in Nederlands-Indië dienden. Ze vochten in een uitzichtloze, vuile oorlog. Hylke Speerstra eist een plek voor de mannen op 5 mei (2/3), maar met welk doel? Als verlaat loon voor het verrichte vuile werk? Waarom gaat het: om de oorlog van toen of de veteranen van nu? De geschiedenis is ingewikkelder dan Speerstra het voorstelt. Nederland gaat al 65 jaar verkrampt om met de oorlog om de Indonesische onafhankelijkheid. Het was een vuile oorlog, ook aan de Nederlandse kant. Soldaten maakten het mee, politieke en militaire leiders wisten het, Nederlandse kranten en parlementariërs stelden het aan de kaak. Toch steunden de meeste Nederlanders het militaire ingrijpen, velen vonden de regering zelfs te soft. Oorlogsmisdrijven werden toegedekt, ook ver na de oorlog, en als incidenteel ‘excessief geweld’ voorgesteld. Wie het woord ‘oorlogsmisdrijven’ in de mond nam, verbrak de stilzwijgende consensus en werd in mediacampagnes in twijfel getrokken. In het pleidooi van Speerstra zijn de Indonesiërs opvallend afwezig – op die ene 13-jarige sniper na. Niets over de naar schatting meer dan 100.000 doden aan Indonesische kant. Speerstra gaat eraan voorbij dat ook veel Nederlandse soldaten in de knoop zaten met de gedachte dat hun tegenstander een vrijheidsoorlog voerde. De strijd in Indonesië een plaats geven gebeurt met historisch onderzoek. Om recht te doen aan dat schrijnende verleden. We hebben nog steeds een open discussie nodig over alle rottigheid die het conflict heeft opgeleverd. Dat zou 5 mei meer inhoud geven dan geforceerde heldenverering.

Senior onderzoeker NIOD