Column

Waarom een quotum principieel onjuist is

Vrouwendag (8 maart) en pleidooien voor een vrouwenquotum in de top van het bedrijfsleven gaan samen als sneeuwklokjes en lente. Jet Bussemaker noemde het deze week „5 voor 12”. Het geduld van de minister raakt op. Ze heeft grote bedrijven verzocht namen aan te leveren van geschikte topvrouwen. Daarvan heeft ze nu een database gemaakt met 300 namen. Bedrijven kunnen nu wat haar betreft snel vrouwelijke bestuurders benoemen zodat 30 procent van hun raden van bestuur én raden van commissarissen uit vrouwen bestaat. (Stand nu is 9 en 11 procent). Als dat niet snel gebeurt, dreigt Bussemaker met een quotum, een verplichting om 30 procent vrouwen in de top te benoemen op straffe van een sanctie. Het Duitse parlement stemde vrijdag in met een dergelijk quotum.

Ik heb hier grote problemen mee. De staat moet zorgen voor gelijke rechten en gelijke kansen, maar zodra de staat gelijke uitkomsten gaat opleggen en afdwingen gaan we wat mij betreft een grens over. Dat is alleen te rechtvaardigen als er sprake is van een grote misstand. Voordat een overheid de vrije werking van de arbeidsmarkt zo drastisch inperkt als met een quotum, moet die overheid eerst aantonen dat dat gerechtvaardigd is wegens stelselmatige discriminatie. Geen overheid die nog de moeite heeft genomen dat aan te tonen.

Als je niet zorgvuldig uitzoekt of hier sprake is van discriminatie dan is de kans groot dat we met een quotum mannen gaan discrimineren. Dat we de kans voor een supergoede man op een topbaan kleiner maken dan de kans voor een supergoede vrouw. Dat lijkt mij onrechtvaardig. Voorbeeld: in het eerste echelon onder de Raad van Bestuur is het aandeel vrouwen nu 20 procent (cijfers komen uit de Emancipatiemonitor). Als je een quotum oplegt van 30 procent vrouwen in de Raad van Bestuur maak je de kans op die topbaan voor vrouwen uit het eerste echelon groter dan voor mannen. Eerlijk? Nee.

Ik was in 2009 in Noorwegen, een jaar nadat er een quotum was ingevoerd. De deskundigen, politici en ondernemers die ik sprak constateerden zonder omhaal dat gekwalificeerde mannen op dat moment geen kans maakten commissaris te worden. Hoe goed ze ook waren. Dat vond niemand erg. Want daarvoor was dat vrouwen overkomen. Ik vond het gebrek aan gêne onbegrijpelijk.

De hoogste rechters van de Verenigde Staten gaan een stap verder. Zij vinden quota per definitie discriminatie en dus mogen universiteiten die niet hanteren bij de toelating van studenten (quota op basis van ras).

Overal in de maatschappij zie je onevenredige vertegenwoordiging; in de bouw werken weinig vrouwen, in de gezondheidszorg weinig mannen. Dat is pas een probleem als het niet het gevolg is van vrije keuze maar van discriminatie. Mannen domineren de top, maar ook de onderkant. Als ik vervelend wil doen in deze discussie, wijs ik er altijd op dat ik nooit een vrouw zie op de vuilniswagen. Misschien tijd voor een quotum daar?

Het gedrag van vrouwen als groep is anders dan dat van mannen. Dat kunnen we niet fijn vinden, het is wel zo. Vrouwen kiezen andere sectoren, andere werkweken. Driekwart werkt in deeltijd. Dat zou zomaar een factor kunnen zijn in het lagere aantal topvrouwen in het bedrijfsleven, dat overigens gestaag groeit.

We bevinden ons in een periode van immense verandering als het gaat om vrouwen, werk en topposities. Van stilstand, of „5 voor 12” is geen sprake. Bij zo’n moment past een extreem brute maatregel als een quotum niet.