Marcus Bakker blijft een mysterie

CPN-voorman Marcus Bakker in de banken van de oude Tweede Kamer, 1979. „Een warme persoonlijkheid”, „ integer tot op het bot”. Foto Vincent Mentzel

Kan het nog Nederlandser? Hans Wiegel, ooit boegbeeld van ‘verderfelijk rechts’ die het eerste exemplaar in ontvangst neemt van de biografie over de in 2009 overleden Marcus Bakker, jarenlang binnenlands exponent van het communistisch gevaar. Het gebeurde eerder deze week tijdens een bijeenkomst in – hoe kan het ook anders – de Marcus Bakkerzaal van de Tweede Kamer. De sfeer was ontspannen; genoeg tijd voor herinneringen; er werd veel gelachen.

Ook in hun gloriejaren in de Tweede Kamer konden de leider van de VVD en die van de CPN het goed met elkaar vinden. Op het persoonlijke vlak wel te verstaan. Marcus Bakker met een shaggie, Hans Wiegel met een sigaar; samen in de coulissen van de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer, het debat gadeslaand.

Marcus Bakker, van 1963 tot 1982 politiek leider van de Communistische Partij van Nederland, maar direct na de oorlog al een prominent lid, is altijd een mysterieuze, ondoordringbare figuur geweest. Hij was de man die in de vergaderzaal van de Tweede Kamer vlijmscherp kon zijn, maar steevast bij elke bijdrage met zijn sarcasme de lachers op zijn hand kreeg. Hij was de man ook die lange tijd blinde trouw aan Moskou zwoer, Stalin steunde en in 1956 de Russische inval in Hongarije voluit verdedigde. Bakker was de man die zeker in de jaren zestig een zaal vol met kameraden begeesterd kon toespreken en in de jaren zeventig groepen studenten voor zich wist te winnen. Maar ook was hij de man die prima in staat bleek zich in interne partijconflicten te bedienen van de meest dubieuze methodes en verdachtmakingen. Ongrijpbaar dus. Onnavolgbaar ook.

Verzet

Wat dreef Marcus Bakker? Helaas, op die vraag geeft de door Leo Molenaar geschreven 400 pagina’s tellende biografie Nooit op de knieën geen antwoord. Wel vaak boeiende, soms te gedetailleerde geschiedschrijving, maar geen overtuigende analytische verklaring. Misschien valt die verklaring ook wel niet te geven. Zeker niet door iemand als Molenaar die van 1974 tot de opheffing van de partij in 1991 zelf lid was van de CPN en vanaf 1980 lid was van het partijbestuur. Bevriend met Marcus Bakker is hij nooit geworden, schrijft Molenaar vergoelijkend in de verantwoording van zijn boek. Maar hij kreeg wel diens vertrouwen. Dat leidde tot tientallen korte gesprekken en uiteindelijk in 2008, een jaar voor Bakkers dood, de overhandiging van vier dozen met persoonlijk archiefmateriaal. De uitvoerige correspondenties van Bakker uit de periode 1938-’43 die daarin onder andere zaten, hebben zeker kleur gegeven aan de beschrijving van bijvoorbeeld de jonge ‘Mar’ die al op 17-jarige leeftijd belangstelling had voor het werk van Du Perron, maar tevens graag omging met ‘knappe meisjes’. De mens Bakker komt zodoende meer tot leven. Ook de veel latere briefwisselingen met zijn dochter Marisca, oud PvdA-politicus Ger Klein en Europakenner Max Weisglas dragen daaraan bij.

Via het verzet in de Zaanstreek belandde Marcus Bakker in 1943 bij de CPN. Bakkers ongeclausuleerde trouw aan de partij is achteraf wel verklaard als trouw aan de kameraden uit het verzet die in de oorlog waren omgekomen. Niet voor niets had hij in mei 1945 in Krommenie tegenover een bomvolle zaal met jongeren een eed ‘aan de gevallenen’ gezworen. Maar waarom is hij zo lang de socialistische heilstaat inclusief de wandaden van Stalin blijven verdedigen? Zoals de massamoord onder diens verantwoordelijkheid op duizenden officieren en intellectuelen in het Poolse Katyn tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bakker was ervan overtuigd dat Russische communisten zoiets nooit zouden doen. Pas in 1990 drong bij hem het besef over de volle omvang van de goelags door.

De gymnasiast Bakker stond direct na de oorlog voor de keuze tussen ‘onmondig student Nederlands in overvolle collegebanken of strijdbaar redacteur bij de Waarheid’, de grootste krant van de Zaanstreek. De keuze was snel gemaakt waarna zijn carrière in de CPN echt begon. Bakker viel voor het charisma van Paul de Groot, de spil in de CPN met goede contacten in Moskou. Volgens Molenaar beschouwde Bakker De Groot als een soort vaderfiguur. Samen met De Groot was Bakker ook verantwoordelijk voor één van de meest onfrisse periodes uit de geschiedenis van de CPN. Dat was in 1958 toen met het rapport ‘De CPN in de oorlog’ op basis van valse beschuldigingen over collaboratie tijdens de bezetting ongenadig werd afgerekend met een aantal als dissident ervaren prominente partijgenoten waaronder de Tweede Kamerleden Wagenaar en Gortzak. Er is altijd beweerd dat Bakker de opsteller ervan was. Molenaar komt na bronnenonderzoek tot de conclusie dat De Groot de notitie heeft geschreven. Bakker zou de tekst slechts hebben geredigeerd. Wat aan zijn medeverantwoordelijkheid niets afdoet en dus ook nauwelijks als ontlastend kan worden beschouwd.

Goed of fout

Goed of fout. Binnen de CPN waren ze verzot op het koesteren van deze onverbiddelijke tegenstelling. Het dialectisch model waarin communisten opgroeiden verdroeg nu eenmaal niets anders. Ook de nazaten raken er maar niet vanaf. De goed-fout meetlat is nog altijd volop aanwezig als de CPN ter sprake komt.

De biografie van Leo Molenaar over Marcus Bakker zal dus ook wel weer tot de nodige discussie leiden. Dat wil zeggen: in de steeds kleiner wordende kring van mensen die ooit tot de CPN behoorden of in de buurt verkeerden. Hoofdvraag blijft: was Marcus Bakker goed of fout? Beter gezegd: hóe goed, of hoe fout was hij?

De biografie is zeker geen afrekening met de man die zo lang het gezicht bepaalde van de CPN. Een uitgesproken hagiografie is het ook niet geworden, maar het begrip voor Marcus Bakker is soms wel erg aanwezig. „Bakker was dominant in het debat en overtuigd van zijn eigen gelijk, maar hij was een bescheiden man, een romanticus, een warme persoonlijkheid en hij was integer tot op het bot”, schrijft Molenaar in zijn nawoord.

Bakkers in 1983 onder de titel Wissels verschenen memoires gaven geen uitsluitsel over zijn drijfveren, maar ook na deze biografie resteren de vragen. Het beeld van Bakker als de man met de Januskop staat voor de afstandelijke lezer nog altijd overeind. Aan de ene kant de keiharde en onvermurwbare dogmaticus, niet vies van stalinistische praktijken, aan de andere kant de volbloedparlementariër die opkwam voor de rechten van de Tweede Kamer. Maar was hij een democraat?

Het mysterie blijft voortbestaan. De ware aard van Marcus Bakker zou wellicht pas zijn gebleken als hij de macht had kunnen grijpen, zoals aanvankelijk natuurlijk het ultieme doel was van de Communistische Partij. Gelukkig is dat nooit gebeurd.