Mannen versieren met je geur? Heeft geen zin

Net zoals varkens en insecten zouden mensen ook lokstoffen voor seks hebben: feromonen. Maar al veertig jaar is daar nauwelijks onderzoek naar gedaan. Grote kans dat ze niet eens bestaan.

Partners kussen elkaar tijdens de uitbraak van de Mexicaanse griep in 2009. Alfredo Estrella/ AFP

Seks bij varkens, geiten en knaagdieren verloopt vrij soepel door lokstoffen: feromonen. Maar bij mensen?

Het onderzoek naar feromonen is „nauwelijks opgeschoten” in de afgelopen veertig jaar. Dat concludeerde dierkundige Tristram Wyatt van Oxford University woensdag in een overzichtsartikel in Proceedings of the Royal Society B.

„Heel veel goede wetenschappers zijn op een dwaalspoor gezet.” The lost decades, noemt hij de afgelopen periode in de titel.

Feromonen zijn geurstoffen – al of niet bewust waargenomen – die dieren afscheiden om op (enige) afstand het gedrag van hun soortgenoten te beïnvloeden.

Vaak gaat het om seksueel gedrag. Een zeug gaat vaak in de paarhouding staan als een varkensbeer over haar heen kwijlt, en dat komt door een hormoonachtige stof.

Sinds feromonen werden ontdekt bij insecten, en later bij zoogdieren, lag de vraag voor de hand: bestaan feromonen ook bij mensen? Vaak wordt die vraag met ‘ja’ beantwoord, maar dat is dus helemaal niet zeker.

Integendeel. Wyatt voegt zich bij een groeiende groep critici van het menselijk feromonenonderzoek. „Dat onderzoek kent alle problemen die we uit het psychologisch onderzoek kennen. Kleine onderzoeksgroepen. Publicatiebias – alleen studies met een positief resultaat worden gepubliceerd. En geen replicaties.” Maar het belangrijkste is, zegt Wyatt, dat de meeste feromonenonderzoekers de verkeerde stoffen testen.

Ja, sommigen werken met natuurlijke lichaamsgeuren, zoals Martha McClintock in haar beroemde en bekritiseerde onderzoek naar menstruatiecycli (zie kader). Of de Israëliër Noam Sobel, die in Science in 2011 liet zien dat mannen minder zin in seks krijgen van vrouwentranen – een vondst die overigens ook nooit herhaald is.

Maar het meeste feromonenonderzoek wordt gedaan met vier geïsoleerde steroïden – dezelfde of vergelijkbare hormoonachtige stoffen als die van varkensberen. Die komen in okselgeur voor, zegt Wyatt. „Maar er zitten honderden stoffen in okselgeur! Waarom bestuderen we er dan maar een paar? En waarom is iedereen zo geobsedeerd door okselgeur? Ik denk eerder dat we feromonen moeten zoeken in het anale-genitale gebied. Maar dat is niet makkelijk te onderzoeken.”

Wyatt ontdekte zelfs dat twee nog altijd populaire onderzoeks-‘feromonen’ in 1991 „geplugd” zijn door een Amerikaanse parfumfabrikant – die leverde de stofjes aan onderzoekers als ‘mogelijke feromonen’. „Maar dat is niet onderbouwd. Geen tests, niks. Nu kent niemand die herkomst meer.”

Wyatt denkt wel dat menselijke feromonen bestaan. Het duidelijkst vindt hij het bij pasgeborenen, die naar de tepel happen als ze bij een vrouwenborst in de buurt zijn. Onderzoekers in Dijon zoeken in de afscheidingen van klieren op de tepelhof naar feromonen. Wyatt concludeert: „We moeten onszelf gaan onderzoeken als een nieuw ontdekt zoogdier.”