Column

Landen stoten elkaar het brood uit de mond

Een topman van supermarktketen Spar vertelde laatst aan een Oostenrijkse krant dat hij teleurgesteld is in de EU. Vrijwel alle winst die het bedrijf maakt, komt uit Oost-Europa. In Hongarije heeft Spar 11 procent marktaandeel: 420 winkels, 1,5 miljard euro omzet per jaar. Maar die winst staat onder druk. Zo heeft de Hongaarse regering extra belasting ingevoerd voor ‘toezicht op levensmiddelen’. Voor buitenlandse supermarkten loopt die belasting op tot 6 procent van de omzet, terwijl Hongaarse supermarkten 0,1 procent betalen. Ook besloot de regering-Orbán grote supermarkten op zondag te sluiten. Op die dag kun je vrijwel alleen boodschappen doen bij Hongaarse winkels.

Beide maatregelen zijn een flagrante schending van de regels van de Europese interne markt. Regeringen mogen nationale bedrijven niet voortrekken en buitenlandse bedrijven niet discrimineren.

De Europese Commissie in Brussel, die de regels moet bewaken, is soms heel streng. Zo pakte ze veel banken die staatssteun kregen, hard aan. Ook bekritiseerde ze Boedapest heftig wegens eerdere toeslagen voor buitenlandse supermarkten. Maar in dit geval doet ze volgens de Spar-topman niets. Zij is, zegt hij, „te weinig bezig met wezenlijke thema’s als de rechtsstaat, democratie en het verbod op discriminatie. In plaats daarvan maakt ze burgers, consumenten en bedrijven het leven zuur met eindeloze richtlijnen en verordeningen over wat er op etiketten moet staan, welke allergenen je gebruikt of wat een gloeilamp precies is.”

Het verweer van de Hongaren is dat multinationals maar eens belasting moeten betalen. Spar, Tesco en de anderen gebruiken hybride internationale holdingstructuren. Die maken het makkelijk om winst, via de moeder, naar andere dochters in het het buitenland te sluizen zonder veel belasting te betalen. Dit is een enorm probleem, dat Europa dringend moet aanpakken. In dat opzicht heeft de Spar-topman boter op zijn hoofd en hebben de Hongaren een punt. Maar dit moeten ze wel bij een ander loket regelen. De Commissie heeft al jaren plannen om belastingontduiking van bedrijven via Luxemburg, Nederland of Malta in te dammen. Maar de lidstaten moeten hierover beslissen, unaniem. En landen die het meest profiteren van deze fiscale concurrentie voelen hier het minst voor – driemaal raden welke.

Zo stoot het ene land het andere brood uit de mond. Daarop volgt wraak, direct of indirect. De Europese eenwording begon na de Tweede Wereldoorlog om te voorkomen dat landen elkaar zo kapot konden maken. Centrale regels, een onafhankelijke waakhond, gemeenschappelijke waarden en meer solidariteit zouden dit voorkomen. Maar de eenwording verzandt nu in dat wat ze moest voorkomen: te harde concurrentie tussen landen. De markt is oppermachtig. Verzorgingsstaten worden afgeslankt. Vóór de euro konden de meeste EU-landen devalueren, nu niet meer. Alleen door ‘competitief’ te zijn houden ze zichzelf staande, zoals Luxemburg en Nederland met hun belastingregimes. Dat werkt door op EU-landen die de euro niet hebben. Solidariteit verschrompelt. De Commissie kan niet overal achteraan. Gevolg is dat politici minder respect krijgen voor Europese regels en waarden. En dat ze daar bij verkiezingen nog mee scoren ook.

Viktor Orbán is misschien een kras geval. Hongarije wordt steeds corrupter. Er is nauwelijks onafhankelijke rechtspraak. Zonder partijkaart kom je moeilijk aan een goede baan. Joden zijn onveilig. Ook in andere landen staan dit soort politici in de coulissen. Ze nemen van Europa wat ze nodig hebben, vooral financieel, en lappen de rest aan hun laars. Te weinig hanen die ernaar kraaien.