Ik voel me GEWELDIG

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Vandaag, bij het begin van de Boekenweek, een fragment uit de nieuwe roman UP van Myrthe van der Meer.

Dokter Panjani werpt een blik op de klok, maar ik weet niet of dat is om te zien hoe snel hij van me af kan zijn, of dat hij wil weten hoelang hij me nog hier kan houden. ‘Dit gesprek gaat niet helemaal zoals ik verwacht had, Emma,’ zegt hij uiteindelijk.

‘Hier hetzelfde,’ zeg ik gul. Nog tien minuten en dan ben ik weg, dokter, denk ik met een vilein genoegen.

Hij aarzelt, besluit dan het over een andere boeg te gooien. ‘Ik heb je natuurlijk nog niet eerder als patiënt gehad, maar ik vind je wat…’ Hij kijkt naar mijn voet die onophoudelijk tegen de tafelpoot tikt. Met een ingehouden vloek klem ik hem achter mijn been. ‘... gespannen overkomen. Gestrest. Wat ga je doen als je straks hier weggaat?’

Ik schiet in de lach. ‘Wat niet? Pillen halen, een vijzel kopen, eten, koken, slapen, gewoon.’

‘Pillen? Waarom zou je…’ Ineens duikt hij in zijn papieren. ‘Hier staat dat je de afgelopen weken steeds maar voor zeven dagen medicijnen meekreeg om het risico op suïcide te verkleinen. Ik heb je geen recept gegeven, dus hoe haal je dan pillen?’

‘O, maar ik had nog oude recepten. Nu nog maar eentje,’ zeg ik met een licht gevoel van spijt, ‘die wissel ik vanmiddag in. De rest heb ik gisteren al opgehaald.’

‘Maar als je…’ Hij fronst. ‘Hoeveel pillen heb je in huis?’

‘Met of zonder recepten?’

‘Zonder.’

‘Dat weet ik niet precies. Soms krijg je maar een half doosje en niet elke strip zit vol, dus…’

‘Ongeveer,’ zegt hij kortaf.

In gedachten ga ik de keukenla af, alle strips en doosjes die samen precies voor de besteklade passen, alsof die ervoor gemaakt is. Alsof alles al mijn hele leven op dit moment heeft gewacht. ‘Tweehonderd?’

De man tegenover me kijkt me gealarmeerd aan. ‘En wat ben je daarmee van plan?’

‘Nou, eerst moet ik die vijzel hebben. Dan de rest ophalen. Het vermalen zal wel wat tijd kosten en dat wil je toch ook netjes doen, en dan…’

‘Dan wat?’

‘Dan neem ik ze in. Ik dacht morgenochtend, bij het ontbijt. Met yoghurt.’

Het lijkt alsof dokter Panjani mijn woorden even moet verwerken. Zijn gezicht verstrakt. ‘Begrijp ik het goed dat je suïcide wilt plegen?’

‘Zelfmoord?’ Ik begin te lachen. ‘Natuurlijk niet. Het gaat juist goed met me. Ik werk; ik redigeer een tekst…’ Ik klop op mijn tas en voel de geruststellend grote, lompe hoekigheid van mijn laptop door de stof heen. ‘Ik ben niet depressief, juist het tegenovergestelde; ik voel me geweldig. Ik ga dat niet kapotmaken. Juist niet! Ik ga er juist voor zorgen dat dit gevoel nooit meer kapot kan.’

‘Maar waar komt dit idee dan vandaan? Is er een aanleiding? Wat is er gebeurd?’

‘Er is niets gebeurd. De tijd is rijp.’

Dokter Panjani kijkt me raadselachtig aan.

‘Het is gewoon iets wat moet gebeuren. Juist omdat het nu goed gaat. Dat is toch logisch? Dit is geen wanhoopsdaad. Zo is het gewoon het beste.’

‘Je bent van plan om zelfmoord te plegen en dat is geen wanhoopsdaad?’

‘Bij zelfmoord kies je noodgedwongen voor de slechtste optie. Ik kies uit vrije wil voor de beste optie. Dat is het verschil.’

Het is alsof met elk woord de afstand tussen ons groter wordt, alsof de tafel die ons scheidt langzaam verandert in een oceaan van onbegrip.

‘Meen je dit serieus?’

Ik knik.

Hij kijkt me strak aan. ‘In dat geval blijft er nog maar één keus over; of je gaat nu naar huis en levert al je medicatie en recepten in, of je wordt opgenomen.’

Ik schiet in de lach. ‘Maar dat is onzin! Dat maakt toch juist alles weer ongedaan? En bovendien heb ik een deel van de pillen al half vermalen, dus daar heb je niets aan. En één recept ligt al bij de apotheek, dus dat kan ik ook niet teruggeven.’

‘Dat regel ik wel,’ zegt hij kortaf. ‘De vraag is: ben jij bereid om je pillen in te leveren?’

Ongelovig staar ik hem aan. Ben ik dan echt de enige die de absurditeit van dit alles inziet? Pillen inleveren? Mijn pillen? En dan voel ik woede. Woede, omdat de man aan de andere kant van de tafel mij mijn uitweg wil ontnemen, mijn ontsnapping, de nooduitgang die ik eindelijk had gevonden, na maanden van somberheid, depressies en zelfmoordgedachten. Nu heb ik eindelijk de oplossing gevonden om dit geluk eeuwig vast te houden, en die wil hij me afnemen? Hij, een invalpsychiater? Iemand die mij helemaal niet kent?

‘Ik wil best beloven dat ik de pillen niet ga gebruiken, maar ik wil ze wel houden.’

‘Waarom wil je ze dan houden?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Ik wil ze achter de hand houden. Voor als het toch nodig is.’

‘Je wilt de drempel verlagen.’

‘Ja,’ zeg ik verbaasd. ‘Zo kun je het ook stellen. Dit is het beste moment om het te doen, en als dat niet kan, dan is dit naar mijn idee een goed moment om alvast voorbereidingen te treffen.’

‘Emma, ik wil dat je beseft dat dit een ernstige situatie is. Ik wil dat je dit serieus neemt: ga je de medicatie inleveren?’

Ik schud lacherig mijn hoofd. ‘Hoe kan ik dit alles nou serieus nemen als het allemaal zo compleet onlogisch en onzinnig klinkt?’

‘Dit is geen onzin.’

‘Zo klinkt het wel.’

‘Dat begrijp ik,’ zegt hij, ‘en dat is ook het probleem.’ Hij duwt zich iets van het bureau af, alsof hij de afstand tussen ons probeert te vergroten, en knikt spijtig. ‘En dat is ook waarom je vandaag nog opgenomen wordt.’