Het verlies van gekke henkie

Joyce Roodnat

Kunst is geen smoes. Van Koningsbruggen. De twaalf gezworenen. Tinkebell. Parelvissers.

Beeldend kunstenaar Rob van Koningsbruggen kondigde het Stedelijk Museum per brief aan dat hij een schilderij van Marlene Dumas ging vandaliseren. Hij is jaloers, vrees ik. Dumas is gevierder dan hij en misschien wel een betere kunstenaar. Sneue reactie, maar zo vreemd is het niet. Wél vreemd is de manier waarop, die hij ook aankondigde. Hij zou het doek raken „met een welgemikte pisstraal”.

Wacht even. Als hij dat schrijft, stel ik me dat dan maar eens voor. Van Koningsbruggen, tanige man, eindje in de zestig. Gaat het Stedelijk Museum binnen. Loopt de zalen door. Staat stil bij een schilderij van Dumas. Ritst zijn broek open. Haalt zijn lul tevoorschijn. Richt. Ejaculeert urine. Hij verkracht het schilderij.

Zijn dreigement is afschuwelijk. Het is even primitief als wanhopig vertoon, waar ik me des te beter een voorstelling bij kan maken omdat ik De twaalf gezworenen zie, van het Noord Nederlands Toneel. Dat propvol-dialogen-toneelstuk over juryrechtspraak is een monstre sacré, extra onwrikbaar sinds de filmklassieker uit 1957 – wie kan er over Henry Fonda in 12 Angry Men heen? Niemand. Maar nu bevrijdt Guy Weizman het stuk. Hij is van oorsprong choreograaf maar al jaren bezig met een eigen vorm van theater, waarvoor hij dans en toneel tot iets wilds verknoopt met film, literatuur en muziek. Zie ik zijn naam, dan hol ik naar de schouwburg. Van De twaalf gezworenen respecteert hij de dialogen, uiteraard. Maar daartegenover laat hij de opgefokte lichaamstaal van de mannen net zo zwaar wegen. Inderdaad: 12 angry men. Twaalf woedende mannen. Hun woorden draaien. Hun lichamen liegen niet.

Zie die warme straal die Van Koningsbruggen zich verbeeldde, in zijn pornografische opwelling van woede en rancune. Hij mocht na zijn dreigement het Stedelijk niet meer in. Van Koningsbruggen vindt dat het Stedelijk hem niet „zo letterlijk” moet nemen. Hij is het maar, bedoelt hij. De kunstenaar. Gekke Henkie.

Ook kunstenares Tinkebell grijpt naar de truc-van-gekke-henkie. Ze trok zich het lot aan van een, naar het schijnt op infame wijze, uitgezette Afghaanse asielzoeker en zijn dochter. Ze volgde hen tot in Kabul, ze mobiliseerde de media. De zaak van de asielzoeker vertroebelde steeds meer. Hoe zit het nu echt? Wie loog er, wie vertelde de waarheid? Hoho, zegt Tinkebell. Haar maakt dat niet uit. Als kunstenaar, dan. Alles is ondergeschikt aan haar project, datum en plaats van de première zijn al bekendgemaakt.

Kunst als uitvlucht, ook filmmaakster Floor van der Meulen bediende zich ervan. Plakte in haar film over jihad gangers een bloedbad van YouTube. Kwam tegen het verwijt van vervalsing met het curieuze verweer dat ze „niet op feiten” monteerde. Hoefde ze niet, vond ze, want ze is „documentairemaakster”. Een kunstenaar.

Even iets rechtzetten. Een kunstenaar is iemand die de wereld verrijkt met wat hij of zij maakt, denkt, doet. Maar kunst is geen smoes. Kunstenaar zijn betekent niet dat je niks te maken hebt met rekenschap en verantwoordelijkheden, zeker als je je van de werkelijkheid bedient. Een goede kunstenaar zet zichzelf op het spel, niet de, al dan niet vrijwillig, participerende derden met wier lot het kunstwerk zijn voordeel doet, of dat nou hamsters zijn of asielzoekers.

De Nationale Reisopera doet Les pêcheurs de perles. Ja, De Parelvissers, die opera met die ene hit: ‘Au fond du temple saint’. Galmt u even mee? Oui, c’est elle, c’est la déesse… Ook wie het niet kent, heeft het juiste la-la-la paraat. Georges Bizets Carmen overdondert met de ene evergreen na de andere. Maar zijn Parelvissers is door die overbekende aria met die twee gedragen mannenstemmen bijna per definitie een persiflage op een opera. Iedereen in de zaal zit klaar voor dat ene ding. Ha. Daar is-tie al.

Bij de Nationale Reisopera zetten ze deze hele opera ermee op het spel en daarmee zichzelf. Onbeschaamd schuren ze alle lak weg en benadrukken het thema dat Bizet door de hele opera heen sprenkelde. Het klinkt verdraaid, verfraaid, vertraagd, ver-draaimolend zelfs. En dan komt de aria nog één laatste keer, aan het slot. Ze is zichzelf weer, op volle kracht en zonder gêne: Oui! c’est elle!… Twee mannen, één vrouw. Dat is samen één driehoek. Man-man, man-vrouw-man, man-vrouw. Ze vissen steeds naar verboden liefde, en die is het waard. Met dat inzicht overweldigt de Reisopera ons. Zo sensueel is een opera zelden.