Het kan zomaar afgelopen zijn

Waar vicepremier Lodewijk Asscher zich zorgen over maakt? Niet over zijn partij. De Nederlandse meisjes die naar het IS-kalifaat afreisden: dat houdt hem bezig. „Ik dacht: wat hadden we als kabinet kunnen doen?”

Asscher: „In de politiek worden soms verwachtingen gewekt die te mooi zijn om waar te zijn.” Foto David van Dam

Als Lodewijk Asscher wil uitleggen wat hem als minister tot nu toe níet is gelukt, begint hij over twee meisjes, 15 en 16 jaar oud. Ze waren vanuit Zeist op weg naar het IS-kalifaat in Irak en Syrië, nu bijna drie weken geleden. Asscher kreeg ‘via via’ de Facebookfoto’s van de meisjes op zijn telefoon – nog voordat hij wist dat ze bij de Turkse grens waren tegengehouden. „Het waren meisjes zoals je die elke dag overal tegenkomt”, zegt Asscher. Maar kennelijk waren overal de ‘signalen’ gemist: bij hen thuis, op school. „Ik dacht: waar staan we als land als zoiets kan gebeuren en wat hadden we als kabinet kunnen doen?”

In 2012 kwam Lodewijk Asscher voor de PvdA naar Den Haag. Hij had, zegt hij vaak, lang getwijfeld: zou hij als vicepremier en minister van Sociale Zaken iets kunnen betekenen? Het is nu tweeënhalf jaar later, het kabinet staat aan de vooravond van cruciale Provinciale Statenverkiezingen en Asscher heeft nog altijd een „dubbel gevoel” over zijn overstap naar de landelijke politiek.

Er gaat, vindt hij, veel goed. Het ontslagrecht werd eenvoudiger, werknemers met een flexibel contract kregen meer rechten, de Rijksoverheid nam de eigen schoonmakers weer in vaste dienst – als voorbeeld voor andere werkgevers. En afgelopen week stemden alle partijen in de Tweede Kamer voor zijn wet tegen schijnconstructies aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Asscher noemt die wet „een majeure stap” om „de amerikanisering van de arbeidsmarkt” tegen te gaan.

Toch is er dat dubbele gevoel. De werkloosheid („mijn belangrijkste opdracht als minister”) is ondanks de aantrekkende economie en kostbare banenplannen van het kabinet nog steeds „verschrikkelijk hoog”, vindt Asscher. 645.000 mensen zaten vorige maand zonder werk, 7,2 procent van de beroepsbevolking.

En dan zijn er dus die twee jihadmeisjes bij de Turkse grens. Als minister van Integratie – want dat is Asscher ook – maakt hij zich ‘grote zorgen’ over de aantrekkingskracht van IS op jonge moslims, de argwaan van autochtone Nederlanders, de dreiging van een aanslag. „In Nederland, met alle kansen die er zijn, komen heel jonge kinderen toch tot dit soort afschuwelijke besluiten. Dan kun je dus niet zeggen dat ik als minister en vicepremier tevreden ben.”

Er is nog iets waar Asscher onmogelijk blij mee kan zijn: de kiezer keert zich massaal af van zijn kabinet en zijn partij, de PvdA. Na tweeënhalf jaar bezuinigen en hervormen dreigt er voor VVD en PvdA op 18 maart een derde verkiezingsnederlaag op rij. Asscher is er trots op, zegt hij, dat de coalitiepartijen „middenin de grootste economische crisis in tachtig jaar” het lef hadden om gevoelige politieke kwesties (hypotheekrente, zorgkosten, ontslagrecht) aan te pakken. Toch lijken de kiezers er weinig van te moeten hebben.

Asscher zelf zegt het zo: „Ik denk niet dat de PvdA een eclatante overwinning behaalt op 18 maart.”

Is de opdracht van dit kabinet zó belangrijk dat VVD en PvdA bereid zijn een grote nederlaag te incasseren?

Lachend: „Dat hebben we wel bewezen. Samsom en Rutte wisten vanaf het begin: bij tussentijdse verkiezingen gaan we dit voelen. We zijn wel doorgegaan. Landsbelang gaat boven partijbelang.”

Vindt u dat het kabinet ongeacht de uitslag moet doorgaan?

„Ja, anders is het een miskenning van de Tweede Kamerverkiezingen. We hadden al geen meerderheid in de Eerste Kamer en toch zijn we erin geslaagd grote veranderingen door te voeren. Steeds ook met steun van het CDA. Ook in de toekomst moeten we meerderheden zoeken.”

Samsom zegt: Rutte II mag niet meer bezuinigen op zorg en sociale zekerheid. Dat gebeurt ook niet?

„Onze volgende grote opdracht is een nieuw belastingstelsel, voor meer werkgelegenheid. Je hebt altijd lastenverlichting nodig voor zo’n herziening, om de inkomenseffecten te compenseren. Dat geld moeten we stapje voor stapje bijeen zien te krijgen. Maar als je nu zegt: laten we nog eens flink bezuinigen, dan weet ik wel waar dat vandaan moet komen: zorg, sociale zekerheid en onderwijs. Natuurlijk zeg ik daar nee tegen.”

Dus er wordt niet meer bezuinigd op sociale zaken en zorg?

„Dat is deze regering niet van plan. Als het nodig is omdat het mis dreigt te gaan met de begroting, hoort het bij ons werk. Maar vele miljarden bezuinigen, of dat er 3 zijn of 10, vind ik niet verantwoord.”

Dan wordt steun van CDA en D66 na de verkiezingen een lastig verhaal. Die hebben lastenverlichting als voorwaarde gesteld voor steun aan het kabinet.

„Dat hangt ervan af, eerst zijn ook nog de kiezers aan het woord. Beweren dat zo’n megabezuiniging wel even kan uit de overheidsuitgaven, is geen volwassen politiek. Als je een hervormingsfetisjist bent, turf je alleen de wetten in het Staatsblad. Ons gaat het erom dat het ook een succes wordt in het land.”

Lodewijk Asscher (40) is geen politicus die snel persoonlijk wordt. Anders dan Diederik Samsom gebruikt hij zijn gezin niet in politieke toespraken. Asscher is wel een family man. Hij brengt iedere ochtend in Amsterdam zijn drie kinderen naar school voordat hij in de dienstauto stapt naar Den Haag. Dinerafspraken met de minister zijn niet mogelijk, avondeten doet hij thuis. Toch heeft zijn baan „impact” op het gezin, zegt Asscher. „Als ik er opeens een week niet ben en dan ’s ochtends om zeven uur groggy onder de douche sta, merken de kinderen dat.”

Dat was zo in de ‘Kerstcrisis’ over de vrije artsenkeuze – drie PvdA-senatoren stemden tegen het wetsvoorstel daarover van VVD-minister Edith Schippers. Asschers middelste zoon, toen vijf jaar, liep de douche in. „Ik denk dat ik pas om vijf uur thuis was van het Kamerdebat. Hij zei: ‘Weet je wat het is, pap? Ik weet toch zelf ook niet wat een goede dokter is?’ Ik dacht: ben ik echt nog aan het dromen over het debat van vannacht? Hij had bij de vader van een vriendje geïnformeerd wat er allemaal aan de hand was.”

U heeft eerder eens gezegd dat u met uw ouders goed kunt praten over uw werk. Wat zeggen ze?

„Mijn ouders hebben allebei in het arbeidsrecht gewerkt (zijn vader was jurist, zijn moeder hoogleraar arbeidsrecht en Kroonlid van de SER, red.), dus ik heb van huis uit meegekregen hoe belangrijk dat is. Het gaat meer over waarden: waar ben je bezorgd over? En ze zeggen soms dat ze ergens trots op zijn.”

Waar zijn ze trots op?

Asscher denkt lang na. Zegt dan: „Ik vind het genant om zoiets te zeggen.” Weer een stilte. En: „Laat maar. Soms zeggen ze dat ze trots op me zijn en dat is lief.”

Maar waarop dan?

„Ze zeggen soms dat ze trots zijn op de manier waarop ik probeer om te gaan met integratie. Hoe ik probeer om mensen aan ons te binden en ook grenzen te stellen. Streng zijn én liefdevol. En ik geloof dat ze het ook wel mooi vinden hoe fanatiek ik achter de schijnconstructies aan ga.”

Maken uw ouders zich zorgen over u? U kunt er enorm vermoeid uitzien.

„Ik denk dat mijn moeder die aanvechting regelmatig heeft, maar er niets over durft te zeggen.”

Is die snelle vermoeidheid van u een zwakke plek voor een politicus? Bij Rutte zie je het nooit. Bij u wel.

„Dat is ook onvoorstelbaar, van Rutte. En bij Samsom zie je het ook niet. Dat zijn gewoon bionische supermensen. Als ik drie nachten niet slaap, ben ik moe en moet ik even bijkomen. Ik denk dat ik wat dat betreft een gewoon mens ben.”

Kunt u zich voorstellen dat u het zo lang in de politiek volhoudt als minister van Justitie Ivo Opstelten, nu 71?

„Ik weet het niet. Ik houd er zelf altijd rekening mee dat het zomaar afgelopen kan zijn. Daarom kan ik het zo intens doen. Ik weet nog: ik zat in de Amsterdamse gemeenteraad en was op de thee bij Ed van Thijn in zijn huis bij het Vondelpark. De grote Van Thijn, oud-burgemeester. Ik was net anderhalf jaar raadslid en hij zei: jij moet de volgende keer lijsttrekker worden. Samen met mijn vriendin, nu mijn vrouw, heb ik ’s avonds gebruld van het lachen. En vervolgens werd ik lijsttrekker.”

De eerste keer dat iemand zei: ‘Asscher wordt PvdA-leider’, hebben u en uw vrouw toen ook zo gelachen?

„Toen had ik al een paar keer meegemaakt dat mensen rare dingen over me zeiden. Nu lachen we er minder hard om. Maar het komt vaker voor dat mensen je allerlei dingen toeschrijven.”

Het leiderschap komt niet dichterbij?

Een beetje geïrriteerd: „Nee, nee.”

Hoe komt het dat mensen het toch blijven denken?

„In de politiek worden soms verwachtingen van iemand gewekt die te mooi zijn om waar te zijn. Toen ik hier kwam, heb ik daar heel bewust afstand van genomen: jongens, ik ga iedere dag mijn best doen, maar heb wel een beetje normale verwachtingen. ”

Zou de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb geen goede PvdA-leider zijn? Hij kreeg veel lof voor zijn uitspraak dat moslims die onze vrijheid niet waarderen, moeten ‘oprotten’.

„Hij ís een van onze leiders. Als er somber wordt gepraat over integratie, ook wel terecht, dan ben ik zo trots op Aboutaleb. Het is heel leuk om te zien hoe hij in Rotterdam op handen wordt gedragen.”

De Israëlische premier Netanyahu heeft de Europese Joden opgeroepen naar Israël te komen. Wat vindt u daarvan?

„Dat vind ik kwalijk opportunisme. Hij deed die uitspraak volgens mij binnen 24 uur na de aanslag in Kopenhagen. In het volle besef dat de Joodse gemeenschap in Denemarken heel bang is en dat is heel reëel. Kijk naar Brussel, Parijs, Kopenhagen. Des te fouter vind ik het van Netanyahu om in die angst te peuren.”

Een opmerkelijk moment, eind vorig jaar in de Tweede Kamer. De doorgaans hoffelijke Asscher haalde hard uit naar PVV-Kamerlid Machiel de Graaf, die had voorgesteld alle moskeeën in Nederland te sluiten. De Graaf had volgens hem „geen enkel benul van wat in dit huis het belangrijkste geschrift is: de Grondwet van Nederland”. Daarmee manifesteerde Asscher zich als de nieuwe anti-Wilders, een rol die tot voor kort vooral werd gespeeld door D66-leider Alexander Pechtold.

Volgens Asscher was het niet meer dan logisch dat hij zo fel reageerde. „We leren onze kinderen dat democratie belangrijk is en het parlement het hoogste orgaan. Ik heb uitgelegd dat fundamentele beginselen voor ons allemaal gelden. En dat die jongens van de PVV allemaal Koranteksten kunnen citeren, maar de Grondwet, waaraan ze als parlementariër hebben gezworen zich te houden, irrelevant vinden.”

Andere politici geven Wilders liever geen aandacht. Rutte zegt vaak: ik reageer niet op elk stuk rood vlees in de arena. U doet dat wel.

„Ik ben het daar ook zeer mee oneens. Rood vlees wordt rot vlees.”

Het idee erachter kan zijn: anders kiest Wilders een slachtofferrol en heeft hij daar politiek profijt van.

„Als dat profijt er is, heb je niet goed gereageerd. Je maakt alleen een slachtoffer van iemand als je zegt: ‘foei, foei, dit mag u niet zeggen’. Ik vind: je moet écht reageren en laten zien hoe onze toekomst eruit ziet. Na het debat met De Graaf heb ik hem niet meer over die moskeeën gehoord. Voor een groot deel mijdt de PVV zelf het debat. Raad eens hoe vaak ik in de afgelopen tweeënhalf jaar als minister van Integratie over dit thema heb gedebatteerd met Wilders? Nul keer.”

Hij durft het debat met u niet aan?

„Nee, dat durft hij zeker niet. Nieuwsuur vroeg of we samen wilden debatteren, in de week voor de verkiezingen. Ik wilde wel, Wilders niet.”