Een tot de dood bewaard geheim

In verzorgingshuizen worden homoseksuele ouderen niet altijd geaccepteerd. ‘Roze 50+’ probeert iets voor hen te betekenen.

Illustratie Sebe Emmelot

‘Ik heb lang over de maagd Maria nagedacht”, zegt Gerard Kool (66), oudste van zes kinderen uit een progressief-katholiek gezin in Utrecht. „Het klopte niet. Op mijn achttiende zei ik tegen mijn ouders dat ik niet meer naar de kerk wilde. Mijn vader hief zijn hand en gaf me een klap.”

Al veel eerder, zo rond z’n zesde, wist Kool dat hij op jongens viel. Maar wat dat betekende? Niemand kende ‘homo’s’ – ja, Wim Sonneveld, daar zeiden ze het over. En over de attente, inspirerende scheikundeleraar op de middelbare school, die omgang met jonge jongens zou hebben en daar zelfs voor zou zijn opgepakt en verhoord. Kool ging graag bij hem op bezoek: een schuchtere man die nog bij zijn ouders woonde, omringd door een enorme verzameling klassieke langspeelplaten. In het eindexamenjaar van de hbs nam Kool de vlucht naar voren en kwam hij voor zijn klas uit de kast. De aanleiding was een kringgesprek waarin „een nichterige man ons voorlichting gaf over homoseksualiteit”, grinnikt hij. Boeken van Anna Blaman, Andreas Burnier en Gerard van het Reve hadden hem toen al de ogen geopend.

Zijn ouders vertelde hij het pas toen hij als wiskundestudent op kamers woonde en lid was van PAN, een van de eerste sociëteiten voor jonge homo’s. „Vind je dit niet mooi dan?”, vroeg zijn vader beduusd, en wees naar het groepje cancan-danseressen op tv. Zijn moeder wilde van alles weten en las zich met behulp van voorlichtingsboekjes in.

Kool heeft geluk gehad, zegt hij nu. „Mijn ouders waren tolerant, ze stonden open voor discussie. Leeftijdgenoten werden nogal eens door hun ouders verstoten.” Sinds zijn pensioen als wiskundeleraar behoort Kool tot de vaste kern bezoekers van De Roze Salon in woonzorgcentrum Delfshove, onderin een torenflat in een multiculturele wijk in Delft. Elke laatste vrijdag van de maand vindt hier in een recreatiekamer een ‘ongedwongen ontmoeting tussen senioren met een andere seksuele geaardheid’ plaats, zoals het op de website van Delfshove staat. Op een donkere vrijdag eind februari zijn het er vijftien, mannen en vrouwen.

Huisje-boompje-beestje

Hennie Tuyl (66) is een „kind van de zwarte kousen-kerk”. Ze trouwde op haar achttiende; het was de enige manier om uit haar ouderlijk huis te ontsnappen. Haar coming out kwam zeventien jaar later, „heel automatisch eigenlijk”, zegt ze. Haar man drong erop aan. Kennelijk was hem al duidelijk wat ze zelf nog niet besefte: ze was verliefd op een vrouw. Dertig jaar later is deze vrouw nog steeds haar levenspartner. Huisje-boomje-beestje is ze geworden, zegt Tuyl. Toch nog. Ze nipt bedachtzaam aan haar biertje. Verderop aan tafel zit de rest van het gezelschap onder begeleiding van dichter Jan Jense te dichten; er wordt elke maand ook iets creatiefs gedaan. De resultaten worden onder luid applaus voorgelezen. Het gaat over een nieuwe lente, over hoop, over ‘de waarde van een luisterend oor’. Men kent elkaar; de Salon is een kleine, veilige haven.

De Roze Salon is een van de grootste successen van Roze50+, een samenwerkingsverband van onder meer ouderenbond ANBO en COC Nederland. Er zijn er nu zo’n 35 door het land, en het aantal groeit snel. ‘Roze’ staat bij Roze50+ voor lesbisch, homo- of biseksueel of transgender: LHBT, in jargon. Missie van de kleine organisatie met een tweekoppige leiding en tachtig vrijwilligers of ‘ambassadeurs’ is het verbeteren van de leefsituatie van de honderdduizenden LHBT-ouderen die Nederland moet tellen.

Hoeveel dat er precies zijn, is onduidelijk. Roze 50+ gaat uit van een percentage van rond de 6 procent van het totale aantal 50-plussers, oftewel 400.000 – „een voorzichtige schatting”, zegt projectleider Manon Linschoten. Ruim 40.000 zijn inmiddels bij Roze 50+ bekend, maar het merendeel is onzichtbaar en laat zich moeilijker in kaart brengen.

De generatie LHBT-ers van 70 jaar en ouder vormt de meest kwetsbare groep. Het taboe op hun seksuele geaardheid was in de tijd dat zij opgroeiden nog zo groot dat het voor velen een diep weggestopt, nooit gepraktiseerd geheim is gebleven. De meesten hebben hun volwassen leven heteroseksueel ingericht, met een huwelijk en kinderen. En als ze er al voor kozen om uit de kast te komen, had dat vaak zware sociale repercussies. Familieleden en vrienden keerden zich af. Met de ouderdom namen hun kwetsbaarheid en isolement toe.

Buiten de Randstad

Het landelijke netwerk van Roze Salons is een poging om deze ouderen met elkaar in contact te brengen. En er gebeurt meer: de agenda van Roze50+ vermeldt elke dag wel een activiteit ergens in het land, van wandel- en leesclubs tot dansavonden. In grote steden als Amsterdam en Rotterdam wordt het meeste georganiseerd; buiten de Randstad valt voor Roze50+ het meest baanbrekende werk te doen. Sociale taboes, religieuze dogma’s en simpele onwetendheid spelen hier vaker een rol.

In de ruim 2.210 verpleeg- en verzorgingshuizen in Nederland is al dan niet openlijke discriminatie van LHBT-bewoners een groot, verborgen probleem, waar leidinggevenden en personeel zich vaak nauwelijks bewust van zijn. „Het zit hem in kleine dingen”, zegt Margo Niestadt, naast Linschoten projectleider van Roze50+. „Een folder of website met alleen vrolijk lachende heterostellen. Of bij het intakegesprek de vraag: ‘Bent u getrouwd geweest?’ Een roze oudere slaat dan dicht en voelt zich niet welkom. Het bevestigt de angst die velen al voelen voor het moment dat ze afhankelijk worden van zorg. Wat gebeurt er dan met me, kan ik mezelf nog zijn? Ze hebben al zoveel nare dingen meegemaakt.” Een anonieme belweek in 2006 leverde Roze50+ een lange lijst van uitingen van discriminatie op, van openlijk schelden en afgewende gezichten tot onbewust neerbuigende opmerkingen.

In Amsterdam zijn er vormen van exclusieve LHBT-zorg. Naast zorgcentrum De Rietvinck in De Jordaan staat al twintig jaar het L.A. Rieshuis, met zeven ‘roze’ appartementen. OutForever is bezig met drie particuliere woonprojecten, GayCare biedt een ‘veilige’ vorm van thuiszorg. Maar voor Roze50+ blijven acceptatie en keuzevrijheid het ideaal. Ook het grootste deel van de doelgroep geeft desgevraagd aan liever gemengd te blijven wonen.

Een zorginstelling die van zins is LHBT-vriendelijker te worden kan bij Roze50+ een zogenaamde ‘roze toolkit’ aanvragen en een online ‘Tolerantiescan’ invullen. Dan komt onafhankelijk certificaatverlener KIWA langs om het waarheidsgehalte van de antwoorden te checken. Ter verdere verbetering van de sfeer biedt Roze50+ ook personeelstrainingen en een groepsspel (Wie van de Drie is de homo of lesbo) aan. Honderd instellingen hebben inmiddels een ‘Roze Loper’ gekregen.

Delfshove, met ruim honderd bewoners een klein woonzorgcentrum, heeft nog geen Roze Loper, maar volgens Roel Kappetijn (56), die er al 22 jaar werkt, wil de leiding „er nu voor gaan”. Zelf is Kappetijn al sinds zijn achttiende „out and proud”. Dankzij hem vindt hier sinds 2,5 jaar een Roze Salon plaats.

Toch ontbreken ook hier de bewoners nagenoeg. De meeste Salongangers zagen een advertentie in de stadskrant of hebben het van horen zeggen; op de roze geverfde krullenfauteuil in de hal van Delfshove komt nauwelijks iemand af. ‘Geïnternaliseerde homofobie’ speelt daarbij een rol, weten ze bij Roze50+: zelfs in een veilige omgeving is de drempel om uit de kast te komen enorm hoog. Wat zullen de overige bewoners zeggen?

Hele leven getrouwd

Pionier op de Salon in Delfshove is een bewoonster van 86. Haar naam kan niet in de krant – dat geeft problemen, zegt Kappetijn. De vrouw was haar hele leven getrouwd en durfde pas toen haar man vijf jaar geleden in een ander verzorgingshuis werd opgenomen voor haar seksuele geaardheid uit te komen. Ze is vrolijk en ad rem, maar fysiek is ze niet meer zo sterk: bij het diner van stevige bonensoep ter afsluiting moet ze afhaken. Ze heeft last van haar maag. De groep joelt haar gedag terwijl ze haar rollator weer richting de liften duwt. Wat een schat, klinkt het als ze weg is.

De soep smaakt. Men lepelt tevreden. Dichter Jan Jense vertelt wat een bekende op straat vandaag zei, toen hij vertelde dat hij naar de Roze Salon op weg was. ‘Wat moet jij bij die homo’s’. Dat zei hij. „Ik bén me toch kwaad geworden”, foetert Jense, „Ik zal maar niet herhalen waar ik die vent allemaal voor uitgemaakt heb. Mensen zijn toch zeker mensen!”

Leonie Valentin (56) kwam in eerste instantie polshoogte nemen bij de Salon voor haar 85-jarige achterneef Jacques, een neef van haar moeder. Na zes weken in een verzorgingshuis wilde Jacques per se weer zelfstandig wonen. Hij kreeg hulp, maar Valentin was bang dat hij zou vereenzamen. „Jacques komt uit een tijd waarin homoseksualiteit óf als geestesziekte, óf als misdaad werd gezien. In mijn jeugd zag ik hem nooit: mijn vader was politie-agent, dus Jacques bleef liever weg bij ons. Nu zijn we heel hecht. We herkennen veel in elkaar. Ik heb Jacques geadopteerd als mijn ‘roze vader’.”

Als Roze Ambassadeur beijvert Valentin zich nu om het onderwerp roze ouderen in Delft ook bij de gemeente te agenderen. Samen met Roel Kappetijn („Ik dacht: er moet een man mee, anders wordt het niks met al die hoge heren”) voerde ze een gesprek met het gemeentebestuur. Incidentele subsidie voor ‘roze’ evenementen was er al, maar dat geld kwam van het Rijk. Nu is in Theater De Veste mede dankzij steun van de gemeente, ‘Oudkast’ te zien, een tentoonstelling annex theatervoorstelling op basis van gefilmde levensverhalen.

De meeste Roze Ambassadeurs zijn van Valentins generatie: mondig en strijdbaar, vechters die naar hun geaardheid hebben kunnen leven dankzij hun nieuw verworven rechten. Valentin realiseert zich dat ze een beter leven heeft dan de generaties vóór haar. Maar op haar werk loopt ze niet met haar privéleven te koop, en ze vergeet nooit die keer dat ze met haar vriendin gearmd over straat liep en ze vanuit een raam met een rauw ei bekogeld werden – in Amsterdam, nota bene. „Je moet waakzaam blijven”, zegt ze. „Sociaal isolement bedreigt ons allemaal.”