Een gek feestje met thema ‘waanzin’

Met Maarten Biesheuvel als eregast werd het een vrolijk Boekenbal – met drank die goed is voor het schrijversbrein.

Dimitri Verhulst vrijdagavond op het Boekenbal, rechts van hem Pieter Steinz. Foto’s Olivier Middendorp

Als Maarten Biesheuvel en zijn vrouw Eva vrijdagavond om vijf minuten voor acht de rode loper voor de Amsterdamse Stadsschouwburg op schuifelen, is de deur nog dicht. Nog vijf minuten wachten, krijgt de 75-jaar oude, publieksschuwe schrijver te horen van de portier. Terwijl hij juist op tijd was gekomen op het Boekenbal, vóór het Amsterdamse societyfeestje zou losbarsten, vóór de fotografen en cameraploegen zich rond de rode loper verzamelden. Er is een aangesnelde medewerkster van de organiserende Stichting CPNB voor nodig om de eregasten van het Boekenbal binnen te laten.

Biesheuvel is gekomen om op te treden op het podium, bij de opening van de 80ste Boekenweek, waaraan het thema ‘waanzin’ verbonden is – de komst van Biesheuvel, die zijn leven lang ervaring heeft gehad met de psychiatrie, werd tot het laatst geheim gehouden, omdat hij ook nog op het laatste moment kon afhaken. Maar hij is er, om te „zingen en vrolijke babbeltjes te houden”, vertelt hij in het voorbijgaan, totdat de CPNB-begeleidster ingrijpt en vraagt of meneer Biesheuvel niet liever meteen naar de coulissen wil. Even geen persaandacht.

Het is een gek feestje, het Boekenbal. Het is niet gewoon naar de zaal, een aardig programma voorgeschoteld krijgen en na afloop een drankje drinken.

Tasje

Binnenkomen gaat niet zomaar: Connie Palmen houdt de rij een paar minuten op, grabbelend in haar tasje naar haar toegangskaart; want zónder komt niemand binnen. Binnenkomen is bovendien een ritueel van zien en gezien worden: „Tonko!” roept Tom Lanoye, als hij bij binnenkomst een tv-verslaggever herkent. Een iets minder bekende schrijver houdt zijn vriendin even staande, voordat ze voorbij de cameraploeg loopt: misschien willen ze hem nog iets vragen. Eenmaal in de foyer – de minister van Cultuur Jet Bussemaker wordt soepel langs de rij geleid – staan daar de directeur en de adjunct-directeur van de CPNB iedereen even uitgelaten te verwelkomen, en alle schrijvers elkaar.

Daar wordt niet meteen doorgelopen naar de zaal, maar gegroet, gedrenteld, rondgecirkeld. Peter Buwalda toont zijn alvast ingeslagen drankmuntjes aan Joost Zwagerman. Ondertussen zet Simone van der Vlugt „griezelige groetjes” in het gastenboek.

Maarten Biesheuvel heeft inmiddels plaatsgenomen in de nog vrijwel lege zaal, in de loge vlak naast het podium. Daar komt net de groep ludieke acteurs langs, die in lange, witte hemden staan te grimassen als krankzinnigen. De schrijver staat op om het gordijntje van de loge dicht te schuiven.

Toen even later iedereen zich gedwee van de bar naar de zaal had laten sturen, kon daar het programma beginnen – dat dit jaar met de humoristische presentatie van Margreet Dolman allesbehalve het gevreesde verplichte nummertje werd. Er was een opmerkelijk minicollege van neuropsycholoog Erik Scherder, die veel bijval kreeg van de zaal toen hij vertelde dat „een klein beetje drinken perfect voor het brein” van schrijvers was: ontremming leidt tot creativiteit. Dichteres Maud Vanhauwaert imponeerde vervolgens met haar cabareteske poëzieact en Frédérique Spigt wist de stijve zaal in beweging te krijgen met een vertolking van ‘Suspicious Minds’.

En toen kwam Biesheuvel: die stak meteen van wal over zijn leven in „het gekkenhuis”: „Ik heb een rustig, vrolijk leventje geleid, tot mijn zesentwintigste jaar.” Toen dacht hij dat hij Jezus was, „want Jezus had veel publiciteit en dat had ik niet”. Hij vertelde over een schaal „waar wel tweeënhalve liter vanillevla in kon”, en waar allerhande pillen in vermalen werden. Hij vertelde over „twee prins Bernhards en één Napoleon” die hij bij arbeidstherapie leerde kennen.

En hij liet zich niet meer onderbreken: „Bemoei je d’r niet mee”, beet hij Dolman toe, als zij de tijd in de gaten hield. Biesheuvel koos zijn eigen moment om de beloofde Duitstalige marsliederen te zingen, die de patiënten zongen als ze door de stad liepen, en toen het grote applaus verstomd was, bleek hij al die tijd doorgezongen te hebben. Hij sloot af met: „Que sera, sera... Dankuwel.” Waarna het programma afgesloten werd door Boekenweekgeschenkschrijver Dimitri Verhulst, die aardig bleek te kunnen croonen, en een duet zong met verrassingsact Willeke Alberti: ‘Samen zijn’.

En toen moest datgene waarvoor iedereen eigenlijk was gekomen – het drankovergoten feestje van de culturele elite – nog beginnen.