Column

De gekte van Verhulst blijft beperkt

Het is Boekenweek en Dimitri Verhulst schreef het Boekenweekgeschenk. Een behapbare inleiding in het werk van een van onze betere schrijvers.

‘Ik werd schrijver. Al klinkt dat belachelijk, ook voor een schrijver.” Aldus de hoofdpersoon van ‘Een schrijversloopbaan’, een van de verhalen uit De kamer hiernaast, het debuut van Dimitri Verhulst uit 1999. De jonge schrijver maakt zich geen illusies over faam of verkoop: „Slechts één bibliotheek had geld teveel om zich een exemplaar aan te schaffen, die van Sint-Niklaas. Zelfs Reetveerdegem erkende zijn enige literaire zoon niet, geen straat zal er naar mij vernoemd worden.” De schrijver belandt op de Boekenbeurs in Antwerpen, waar geen hond zich meldt bij het tafeltje waar hij zijn dichtbundel Werf en Wrak signeert. Uiteindelijk steekt hij de ruimte over en sluit hij aan in de rij voor Jeroen Brouwers, zijn grote literaire idool, die hij toehakkelt: „Veel bewondering voor jou. Nu ook ik een boekje geschreven hebben. Het jou schenken als blijk van begeestering.”

Doorklinkende woede

De komende week zal zich ongetwijfeld een beschroomde beginner aan een van de signeertafels van Dimitri Verhulst melden. De Vlaming (1972) heeft zestien jaar na zijn debuut de eer gekregen die Brouwers nooit werd gegund (waarom eigenlijk niet?): het schrijven van het Boekenweekgeschenk. In zestien jaar auteurschap heeft Verhulst zich ontpopt tot een auteur van ongekende productiviteit: De zomer hou je ook niet tegen is zijn vijftiende boek. Verhulst combineert overdonderende werklust met een doorlopend zoeken naar nieuwe vormen en een uitgesproken engagement.

Of het nu in zijn reportageroman Problemski hotel (2003) is, in zijn doorbraakboek De helaasheid der dingen (2006) of in De intrede van Jezus Christus te Brussel (2011), steeds weer weet Verhulst zijn in elke zin doorklinkende woede om de wereld om te vormen tot verhalen waarin hij zich juist met die wereld verbindt. Verhulst schrijft met liefdevolle agressie. Die combinatie is ook het ‘idool’ Brouwers niet vreemd, maar Verhulst richt zich nadrukkelijker op de buitenwereld. De titel van zijn met de Librisprijs bekroonde roman Godverdomse dagen op een godverdomse bol (2008) is in zekere zin het motto van zijn hele werk. Vloekend, maar liefdevol vloekend trekt Verhulst door de letteren.

Een vegetatieve imbeciel

De maatschappelijke inzet van zijn werk is voor Verhulst nooit een reden geweest om zijn stijl te veronachtzamen. Hij schrijft met de woorden vóór in de mond: klank voor klank, letter voor letter moet alles tot zijn recht komen. Zie deze zin (over een ‘vegetatieve imbeciel’) in het Boekenweekgeschenk: „Het zou een eufemisme zijn te zeggen dat zijn taalgebruik kleiner was dan het eensyllabige vocabularium van de meeste lunatieke komieken met wie hij samen de vloertegels van de instelling onderkwijlde: hij sprak eigenlijk nooit.”

De omschrijving geldt Sonny, een meervoudig gehandicapte zestienjarige die door hoofdpersoon Pierre buiten medeweten van de instelling waar hij woont en bovendien zonder medicijnen wordt meegevoerd richting Provence.

Daar vertelt Pierre tijdens een bloedhete tweemanspicknick met uitzicht op de Mont Ventoux aan Sonny het verhaal van de liefde van zijn leven, die voor Sonny’s moeder. Het is een eenvoudig gegeven, dat nog het meest doet denken aan Verhulsts sublieme korte liefdesroman Mevrouw Verona daalt de heuvel af (2006) waarin hij de lyriek onbekommerd liet stromen.

De beste passages in De zomer hou je ook niet tegen zijn dan ook die waarin Pierre zijn liefde voor Sonny’s moeder alle ruimte geeft, bijvoorbeeld wanneer hij valt voor de chaos van het huis van zijn geliefde: „De badkamer bleek de annex van de bibliotheek, boeken over opera en filmscripts op de grond, Italiaanse dichters op de pot, de ultrakorte verhalen van Daniil Charms in een houdgreep van wc-papier en flacons net naast die pot, hetgeen mij wijselijk deed besluiten zittend te plassen, uit liefde voor literatuur, en vanuit een diep respect voor Charms.” Je kunt je afvragen of de grote absurdist Charms gemaald had om een spatje meer of minder, maar goed.

Beheersing is een tekortkoming

De zomer hou je ook niet tegen is een licht verteerbare novelle met mooie passages: een behapbare inleiding in het werk van een van de betere schrijvers van het moment. In die beheersing toont zich echter ook een tekortkoming, want er wordt wel erg weinig gespetterd in deze zeer kalme Verhulst, waarin bovendien zeer lang wordt uitgeweid over zaken als ontbijtgewoonten van de hoofdpersoon en de inparkeervaardigheden van het personeel van sommige Amsterdamse hotels.

De razernij die Verhulst toonde in Godverdomse dagen op een godverdomse bol is misschien wat beangstigend voor een miljoenenpubliek, maar wat meer opwinding had De zomer hou je ook niet tegen geholpen. Nu blijft de gekte beperkt tot enkele vlagen, zoals wanneer de verliefde hoofdpersoon een theatervoorstelling van zijn geliefde bezoekt. Hij koopt negen kaartjes naast elkaar, een hele rij voor zichzelf. Van die onbescheidenheid had dit Boekenweekgeschenk wel wat meer verdiend.