Dan doe ik het toch zelf?

Petra Stienen schreef een boek over de Limburgse wijk van haar jeugd. Bij een tarte tatin met lof stelt ze de vraag: waarom ben ik wél goed terechtgekomen?

Petra Stienen schreef het boekTerug naar de Donderberg, eerder was ze diplomaat. „Je denkt misschien: leuke dame, goed opgeleid. Die zal wel zijn grootgebracht met een gouden lepeltje.”

Het stamcafé van Petra Stienen (49) bevindt zich tegenover het Binnenhof in Den Haag. De Eeuwige Jachtvelden, heet het. Tussen de middag komen politici en ambtenaren er lunchen. Het is, zegt zij, zo’n beetje de huiskamer van Buitenlandse Zaken. Goed bedacht van haar, deze locatie. In de stad waar ze woont, met een link naar haar verleden als diplomaat en haar mogelijke politieke toekomst als senator voor D66. En dan is de eigenaar van de brasserie ook nog half-Egyptisch. Egypte is haar zelfgekozen vaderland, ze woonde en werkte er, haar dochter Soraya werd er zeventien jaar geleden geboren en Arabisch spreekt ze vloeiend.

Hadden we niet beter in Roermond kunnen afspreken? Ja, en als zij niet op het punt had gestaan voor een week naar Kairo te vertrekken, hadden we dat ook zeker gedaan. Tot haar zeventiende woonde ze daar in de Donderberg, een nieuwbouwwijk aan de „verkeerde kant van het spoor”. Een arbeiderswijk. Nu, dertig jaar na haar vertrek, is de Donderberg een ‘probleemwijk’ die geteisterd wordt door werkloosheid, armoe en achterstand. De Limburgse arbeiders hebben gezelschap gekregen van tachtig nationaliteiten.

Petra Stienen ging terug naar de wijk van haar jeugd om er een boek over te schrijven. Ze vroeg aan (oud)-bewoners hoe zij, ondanks hun soms moeilijke omstandigheden, toch wat van hun leven maken.

Ze schrijft, mild en vrolijk, ook over de jaren dat ze er zelf woonde. Over haar opa, die met haar figuurzaagt in de knutselschuur. Over haar boerentantes die haar – in haar communiejurk en met roze lakschoentjes – voorop laten lopen in de rouwstoet achter zijn kist. Maar tegelijkertijd verhult ze niet dat het leven achter de voordeur van haar ouderlijk huis „niet zo vrolijk” was.

„Vaak zeggen mensen tegen me: goh, jij hebt gelúk gehad, zeg. Dat jij het zo ver hebt geschopt.” Wat meteen de vraag oproept wat het nou precies is wat Petra Stienen doet. Ze lacht haar witte tanden bloot. „Mensen vragen dat vaker: wat doe je? Nee, maar wat doe je nou écht.” Haar beroep past niet zo makkelijk op een visitekaartje. Sinds ze vijf jaar geleden de diplomatieke dienst verliet, noemt ze zich zelfstandig adviseur. Ze is commentator voor radio en televisie, en ze wordt door een dwarsdoorsnede van de samenleving (van mensenrechtenorganisaties tot banken) ingehuurd als deskundige. Ze schreef twee boeken over de Arabische wereld.

Heeft Petra Stienen geluk gehad dat ze geworden is wie ze is? Die vraag stel ik niet, die stelt zij, in haar boek. „Mensen die nog nooit in een achterstandswijk geweest zijn, denken precies te weten wat mensen nodig hebben om uit de misère te komen. Ik kom er vandaan. Hoe kan het dat ik goed terecht ben gekomen?”

Het antwoord is ze gaan zoeken in haar Limburgse jeugd. „Niet om een zielig verhaal te vertellen, maar om na te gaan wat in mijn verhaal universeel is.”

Ze blaast een lange lok haar uit haar gezicht en roept uitgelaten dat ze inmiddels enorme trek heeft. Ah, nog een reden waarom we bij De Eeuwige Jachtvelden zitten. Er is een ruime keuze aan vegetarische gerechten. Ze eet sinds haar zestiende geen vlees. Normaal neemt ze hier een omelet, zegt ze. „Nu kies ik eens wat anders.”

Haar vader was huisschilder. „Overdag werkte hij voor een baas, en ’s avond kluste hij bij de notabelen in hun villa’s aan de goede kant van de spoorlijn.” Haar moeder, huisvrouw met een paar poetsadresjes, zorgde voor de vier kinderen. Petra was de oudste.

Elke winter zat haar vader thuis. „Te weinig werk. De baas ontsloeg hem en mijn vader moest naar de sociale dienst.” Haar vader kluste wat bij, bleef wat langer in de kroeg hangen dan normaal, en schold verongelijkt op de ‘politiek die altijd de kleine man weet te pakken’.

„Mijn moeder schaamde zich voor onze situatie. Ik vond het vooral onrechtvaardig. Waarom kreeg mijn vader geen fatsoenlijk contract? Waarom lieten mensen die geld genoeg hadden om gewoon belasting te betalen hem zwart hun huizen witten?”

Zij begreep noch de schaamte van haar moeder, noch de verongelijktheid van haar vader. „Ik verzette me als tiener tegen hun Calimero-achtige gemopper. Ik dacht: doe het dan zelf. Begin je eigen schildersbedrijf. Zorg dat je autonoom bent.” Ze verzette zich tegen wel meer thuis, en dat leverde haar stampij en klappen op. „Om mijn moeder te sparen, gebruik ik eufemismen. Ik heb het, heel discreet, over een lastig begin.” Haar vader was manisch-depressief. Maar dat bleek pas jaren later.

„Zie je me nu, dan denk je misschien: leuke dame, goed opgeleid. Die zal wel zijn grootgebracht met een gouden lepeltje.” Ze zat op het Bisschoppelijk College Schöndeln, in die tijd een eliteschool. Toen ze haar uilenbril afzette bleek ze ineens een beauty van 1.82 meter. Ze leerde haar Limburgse tongval af in Leiden, waar ze Arabisch studeerde. En na Leiden werd ze geselecteerd voor ‘het klasje’ van Buitenlandse Zaken, waar diplomaten worden opgeleid. Ze werkte in Syrië en Egypte.

Als het geen gouden lepeltje was dat haar hielp, wat dan? Geluk?

Kinderstem

Ze voert me mee naar het gesprek dat ze in 2009 had met de personeelsfunctionaris van Buitenlandse Zaken. Ze was plaatsvervangend hoofd van de afdeling Noord-Amerika in Den Haag. „Ik wilde niet nog vier jaar als generalist werken. Ik wilde de Midden-Oostenportefeuille. Daar had ik mijn netwerk, ik sprak de taal. Bovendien, het rommelde in die landen, er stond iets groots te gebeuren. Daar wilde ik bij zijn.”

Ze kreeg de portefeuille niet. „Ineens hoorde ik mijn eigen kinderstem. Hoe ik als veertienjarige tegen mijn vader en moeder zei: doe het dan zelf. Begin je eigen bedrijf.”

Na zeventien jaar verliet ze de diplomatieke dienst. Vrijwillig. „Gek genoeg wordt soms gedacht dat ik met ruzie ben weggegaan.” Absoluut niet, ze was en is een vriendin van de diplomatie. „Alleen, weggaan bij de BZ-familie dat doet bijna niemand.” Ja, knikt ze, misschien was ze iets te eigengereid. Toen het ministerie van Buitenlandse Zaken opperde dat het misschien goed was ‘de burgers’ wat meer te betrekken bij het werk van diplomaten, schreef zij meteen het boek Dromen van een Arabische lente over haar diplomatenbestaan in het Midden-Oosten. „Dat was niet helemaal de bedoeling. Ja, als ik ambassadeur was geweest, 65, grijs én man. Dan had niemand raar opgekeken.”

„Ik ben een pionier. Ik overschrijd geen grenzen, maar tussen de groene en de rode lijn is een marge. En daar zit ik.”

Ze ging het dus ‘zelf doen’. Na nog één korte tussenstop, bij een managementadviesbureau. Ze noemt het de beste professionele mislukking die haar ooit is overkomen. „Na een half jaar werd ik, met 300 anderen, ontslagen. Dat was het laatste zetje dat ik nodig had. Toen moest ik het wel zelf gaan doen.” Ze bedoelt: alleenstaand, twee maanden spaargeld, een hypotheek en een dochter die op dansles wil, dan heb je werk nodig. Ze herinnert zich het bezoek aan het UWV, het arbeidsbureau. „Daar zat ik: talentvol, vol initiatieven, borrelend van de ideeën. Maar wat hoorde ik: vrouw, hoogopgeleid, 45 jaar? Kansloos.”

Ontmoedigen, kortwieken, klein houden. Die mechanismen kent ze van heel lang geleden. Van de Donderberg. Van thuis. Uit de Arabische landen waar ze werkte. „Bij vriendinnen, of gewoon vrouwen die ik ontmoet... Je herkent elkaars achtergrond. Het is alsof je elkaars dominante vader ruikt. Het ontwrichte gezin, de tegenwerking.” Ineens fel: „Maar wij in het Westen hebben dominantie geculturaliseerd. Alsof alleen vrouwen uit islamitische landen worden onderdrukt door hun vaders, broers en en mannen. Onzin. Wij vinden dat ze moeten breken met hun achtergrond. Met hun ouders, hun echtgenoten, hun geloof. Maar beseffen wij wel hoe hoog de prijs is die ze daarvoor moeten betalen?”

Zij heeft anders ook gebroken, zeg ik. Met de katholieke kerk, haar vader (op haar vijfentwintigste), haar baan bij Buitenlandse Zaken, haar man. Ze denkt na. „Ja, ik kan wel zeggen: het is klaar. Maar ik noem mezelf liever autonoom dan losgebroken. Autonomie is niet hetzelfde als onafhankelijk, hè. Het is niet zo dat ik niemand nodig heb.”

Wat ons terugbrengt bij de vraag die ze zelf stelde: wat heeft haar gered? Of, als je de vraag algemener stelt: wat maakt dat mensen die een slechte start hebben, toch op hun pootjes terechtkomen? „Het gaat om cruciale momenten en personen. De buurvrouw die je troostte, de leraar die zag dat je goed kon leren, de stageplek waar je je thuis voelde.” Dat is één. En wat ook noodzakelijk is: „Het vermogen om de uitgestrekte hand te zien en te grijpen.” Ze kent ook mensen die die hand weigeren. „Die willen niet horen dat ze op Nederlandse les moeten of moeten solliciteren. Die blijven zwak, ziek, misselijk.” En boos. Boos op ‘hullie’.

Dus nu is Petra Stienen een voorbeeld. „Lang voelde ik gêne om het rolmodel uit te hangen. Nu grijp ik die rol.” Om anderen te laten zien dat er ook zonder geluk en gouden lepeltjes veel mogelijk is.