Begrotingsdiscussie? Wacht tot het rode licht gedoofd is

Is dit het einde van de tunnel? Het Centraal Planbureau schroefde deze week de prognoses voor de Nederlandse economie fors op. Dit jaar valt een economische groei te verwachten van 1,7 procent. Volgende jaar kan dat 1,8 procent worden. De overheidsfinanciën ontwikkelen zich gunstig. Er is sprake van een dalende staatsschuld, als percentage van het bruto binnenlands product (bbp). En het begrotingstekort neemt dit jaar af tot 1,8 procent van het bbp en volgend jaar tot nog maar 1,2 procent.

Voor het kabinet-Rutte komen deze cijfers als geroepen. Aan de vooravond van de Statenverkiezingen kan nu worden gewezen op de vruchten van het gevoerde bezuinigingsbeleid – al zal de discussie over de vraag hoe de economie zich zónder alle draconische bezuinigingen zou hebben ontwikkeld nooit beslist kunnen worden. Over alternatieve scenario’s valt moeilijk te twisten: we leven slechts in één universum.

De gunstige prognoses hebben onmiddellijk geleid tot een politiek debat over het nu te volgen begrotingsbeleid. Het aantal variabelen is groot. De belangrijkste zijn als eerste een voorgenomen belastingherziening, waarvoor ‘smeergeld’ nodig is om te voorkomen dat een groep van belastingbetalers er de dupe van zou worden. De tweede variabele is het Groningse gas. Minder gasproductie, een politieke realiteit, heeft forse gevolgen voor de begroting. Dat laat bitter weinig ruimte over voor ander beleid, en zou zelfs extra bezuinigingen kunnen noodzaken. Dat onderstreept dat het huidige debat over de hoeveelheid gas die veilig kan worden gewonnen, verre van vrijblijvend is.

En dan is er nog de oproep van CDA en D66 om extra haast te maken met het terugdringen van het begrotingstekort nu het economische tij zo gunstig is. Dat klinkt prudent, maar riskeert dat het herstel te vroeg wordt benut en omslaat in nieuwe stagnatie.

Er is van de afgelopen zeven jaar sinds het uitbreken van de kredietcrisis één belangrijke les te leren: prognoses worden naar eer en geweten gedaan, maar zijn buitengewoon onzeker. Het huidige economische herstel van Nederland en van de rest van de eurozone is voor een belangrijk deel terug te voeren op de sterk gedaalde prijs van ruwe olie, die sinds afgelopen zomer is gehalveerd. Een andere voorname factor is de gedaalde koers van de euro, die de export de wind in de rug geeft en zorgt voor groter optimisme bij het bedrijfsleven. En dan is er nog het uitzonderlijke beleid van de Europese Centrale Bank, dat de langetermijnrentes sterk drukt en indirect bijdraagt aan de stijgende beurskoersen.

Geen van alle zijn dit bestendige ontwikkelingen. Als de olieprijs in zo’n korte tijd zo sterk kan kelderen, kan deze net zo goed weer fors stijgen. Wisselkoersen zijn wispelturig; beleid kan er niet op worden gefundeerd. Het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank is zeer experimenteel en heeft nu nog onbekende neveneffecten, die niet altijd gunstig hoeven te zijn.

Is het in zo’n onzeker klimaat, bij een economisch herstel met zo’n ondiepe fundering, verstandig om vast vooruit te lopen op extra middelen of beleidsruimte? De vraag stellen is hem beantwoorden. Er zijn kwesties die moeten worden opgelost. De discussie over aardgas moet worden gevoerd en zal hoe dan ook leiden tot een minder hoge productie. Die tegenvaller is al groot genoeg. Andere plannen hebben alle hun merites, maar er kan beter worden gewacht tot het herstel van de economie en van de overheidsfinanciën een steviger basis hebben dan nu alleen uit prognoses blijkt.